IEF 17475

Telegraaf-artikel "Genomineerde is Pedo" bevat verklaringen van twee anonieme vrouwen

Vzr. Rechtbank Amsterdam 30 januari 2018, IEF 17475; ECLI:NL:RBAMS:2018:383 (Eiser tegen De Telegraaf) Mediarecht. Portretrecht. Onrechtmatige perspublicatie. Eiser is in 2017 voor zijn werkzaamheden voor een stichting genomineerd voor de Joke Smitprijs. Op de dag van de uitreiking van deze prijs verschijnt op de website van De Telegraaf een artikel onder de kop "Genomineerde is Pedo". De gedane uitlatingen vinden voldoende steun in de feiten. Het artikel bevat onder meer een verkorte weergave van de verklaringen van twee anonieme vrouwen. De onderzoeksresultaten van de journalist rechtvaardigen in beginsel publicatie daarvan. Door de nominatie voor de Joke Smitprijs is eiser een publieke figuur geworden, waardoor hij zich meer in publiciteit moet laten welgevallen dan de gemiddelde burger. Uit deze belangenafweging volgt dat De Telegraaf bij het plaatsen van de kop van het artikel ook binnen de grenzen van het maatschappelijk betamelijke gebleven en het plaatsen van het portret van eiser naast het artikel geen inbreuk op zijn portretrecht.

4.3. In dit geval gaat het om beschuldigingen van wangedrag. In de eerste plaats dient te worden onderzocht in hoeverre de uitlatingen steun vinden in het ten tijde van de publicatie beschikbare feitenmateriaal. Anders dan [eiser] meent, is er voor de gedane uitlatingen voldoende steun te vinden in de feiten. Het artikel bevat onder meer een verkorte weergave van de verklaringen van twee vrouwen die weliswaar niet met naam in de krant zijn genoemd, maar van wie de namen wel bekend zijn bij de redactie. Met de identiteit van één van hen, [naam 1] genoemd, is [eiser] bekend vanwege de tegen hem gevoerde strafzaak. Dat [eiser] niet weet wie achter de naam [naam 4] schuil gaat, maakt haar verklaring nog niet onbetrouwbaar. De journalist, [naam journalist] , heeft uitvoerig gesproken met beide vrouwen om zich te vergewissen van de geloofwaardigheid van hun beschuldigingen, en heeft daarvan een verslag opgemaakt dat zich onder de stukken bevindt. Beide vrouwen hebben afzonderlijk tegenover hem gedetailleerde verklaringen afgelegd en verteld over gedrag van [eiser] dat in beide zaken gedeeltelijk van vergelijkbare aard was (strelen van borsten en billen). Dit draagt bij aan de geloofwaardigheid van hun verklaringen. Bovendien zijn – kennelijk letterlijke – transcripten overgelegd van de door [naam journalist] met de vrouwen gevoerde gesprekken, welke transcripten als zodanig niet zijn betwist.

4.7. [naam journalist] heeft in zijn artikel voldoende afstand gehouden van de verklaringen van de vrouwen, gelet op het gebruik van formuleringen als “zou” en “volgens” en het gebruik van aanhalingstekens om duidelijk te maken dat sprake is van citaten. Het artikel bevat een accurate samenvatting van de verklaringen van de vrouwen en is voldoende feitelijk gebracht. Vermeld is dat [eiser] de feiten ontkent en dat hij in de strafzaak is vrijgesproken bij gebrek aan overtuigend bewijs. Anders dan [eiser] meent, is de vermelding van het woord “overtuigend” niet tendentieus, evenmin als de toevoeging dat het volgens [naam 2] in zedenzaken maar zelden tot een veroordeling komt.

4.8. De onderzoeksresultaten van [naam journalist] rechtvaardigden in beginsel publicatie daarvan. Seksueel overschrijdend gedrag is immers een misstand die de hele samenleving raakt. Dat geldt te meer wanneer daarbij kwetsbare jongeren betrokken zijn en wanneer dat gedrag zich voordoet in ongelijkwaardige relaties, zoals in dit geval.

4.9. Daarbij komt dat [eiser] was genomineerd voor de Joke Smitprijs, een prijs ter beloning van gedrag dat in schril contrast staat met de [eiser] verweten gedragingen.

4.10. Door deze nominatie is [eiser] bovendien, zij het in beperkte mate, een publieke figuur geworden, waardoor hij zich in zoverre meer publiciteit moet laten welgevallen dan de gemiddelde burger.

4.11. [eiser] heeft grote bezwaren tegen de kop van het artikel, omdat deze tendentieus zou zijn en daarmee de indruk zou worden gewekt dat vast staat dat hij zich heeft vergrepen aan kleine kinderen, terwijl het hier gaat om beschuldigingen die hij ontkent en het bovendien niet gaat om kleine kinderen, maar om tienermeisjes.

Uitgangpunt is dat een kop bedoeld is om de aandacht van de lezer te trekken en daarom ongenuanceerder en kernachtiger mag zijn dan het artikel zelf. De kop moet in samenhang met de rest van het artikel worden beoordeeld. Weliswaar stelt de kop het beweerde gedrag van [eiser] in het slechtst mogelijke daglicht, maar door de kop tussen aanhalingstekens te plaatsen is tot uitdrukking gebracht dat het gaat om een geuite beschuldiging en niet om een vaststaand feit. Bij lezing van de subkop (“Kandidaat Staatsprijs zou minderjarige meisjes hebben betast”) en de rest van het artikel blijkt dat het gaat om beschuldigingen die de redactie niet (zonder meer) tot de hare maakt. Bij de keuze van de kop is De Telegraaf dus binnen de grenzen van het maatschappelijk betamelijke gebleven.

4.13. De vraag of de geportretteerde een redelijk belang heeft bij zijn verzet tegen openbaarmaking van zijn portret, dient te worden beantwoord aan de hand van een zelfde belangenafweging als hiervoor onder 4.1 en 4.2 bedoeld.

Portretfoto’s van [eiser] zijn op internet eenvoudig te vinden, onder meer op de website van Stichting [naam Stichting nieuw] . In samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval (de ernst van de beschuldigingen, de mate waarin daarvoor steun te vinden is in het feitenmateriaal, de mate waarin [eiser] kan worden aangemerkt als publieke figuur en de vermelding in het artikel dat [eiser] de beschuldigingen ontkent en dat hij in de strafzaak is vrijgesproken), levert dit geen, althans een onvoldoende redelijk belang op bij [eiser] verzet tegen de publicatie van de foto.

4.14. Voor het noemen van de volledige naam van [eiser] in het artikel bestond voldoende grond, gelet op zijn nominatie voor de Joke Smitprijs. Daarbij is van belang dat bij de bekendmaking van de genomineerden aan het publiek, de volledige namen van alle genomineerden waren genoemd. De andere twee genomineerden waren vrouwen. Daardoor was de identiteit van [eiser] voor het publiek eenvoudig te achterhalen.

4.19. Alles overziende, weegt het belang van TMG bij publicatie van het artikel zwaarder dan het belang van [eiser] bij bescherming van zijn eer en goede naam. Nu de publicatie dus niet onrechtmatig jegens [eiser] is, zal de vordering worden afgewezen.