IEF 20865

Slechts bij deel subsidiaire vordering sprake van 'bepaalde bescheiden'

Rb. Amsterdam 6 juli 2022, IEF 20865, IT 4007; ECLI:NL:RBAMS:2022:3892 (eiser tegen gedaagden) Eiser heeft gedaagde 1 gesommeerd om boetes te betalen vanwege schending van de geheimhoudingsplicht. Ook heeft eiser een sommatiebrief aan gedaagde 2 gestuurd waarin zij vraagt dat gedaagde 2 bevestigt dat overgestapte (ex-)werknemers geen werkzaamheden meer zullen verrichten voor gedaagde 2 en dat zij geen zakelijke contacten zullen onderhouden met klanten van eiser. Gedaagden hebben niet voldaan aan deze sommaties. Eiser heeft vervolgens de voorzieningenrechter om verlof gevraagd voor het leggen van conservatoire bewijsbeslagen op ‘bepaalde bescheiden’ ten laste van gedaagden. Eiser vordert verstrekking van afschriften door gedaagden. 

Door de voorzieningenrechter wordt geoordeeld dat het ‘overhevelen’ van klanten van eiser naar gedaagde 2 en het werven van personeel onder werknemers van eiser een onrechtmatig karakter lijkt te hebben. Gedaagde 1 was persoonlijk betrokken bij en verantwoordelijk voor het onrechtmatig handelen. Het handelen van gedaagde 1 kan aan gedaagde 2 worden toegerekend aangezien zij daarvan profiteert. Er kan dus worden aangenomen dat er een rechtsbetrekking als bedoeld in artikel 843a Rv bestaat tussen eiser en gedaagde 1 en tussen eiser en gedaagde 2. Wat betreft de primaire vordering geldt dat de daarin vermelde gegevens niet als ‘bepaalde bescheiden’ kunnen worden aangemerkt. Dit is anders wat betreft de subsidiaire vordering die is beperkt tot een specifieke categorie gegevens. De primaire vordering in conventie wordt dus afgewezen en de subsidiaire vordering in conventie wordt gedeeltelijk toegewezen. De voorzieningenrechter oordeelt verder dat onvoldoende bestaat voor de opheffing van de beslagen. De vordering in reconventie wordt dan ook afgewezen.

5.11. Gedaagden hebben terecht betoogd dat de primaire vordering van [eiser] zodanig ruim is geformuleerd dat daarin onvoldoende concreet is gemaakt op welke gronden [eiser] bij de inzage in/afschrift van alle bescheiden die de daarin genoemde zoektermen bevatten een rechtmatig belang heeft. Zoals [eiser] zelf aangaf zou onder het primair gevorderde ook privécorrespondentie (‘mails aan je schoonmoeder’) kunnen vallen. Dit alleen al biedt voldoende grond voor afwijzing van de primaire vorderingen, nu de daarin vermelde gegevens niet als ‘bepaalde bescheiden’ als bedoeld in artikel 843a Rv kunnen worden aangemerkt.

5.12. Dat ligt anders voor het subsidiair gevorderde, aangezien dat is beperkt tot een specifieke categorie gegevens en (e-mail) adressen. Wel geldt ook voor die vordering dat de zoektermen die [eiser] daarop wenst los te laten dusdanig ruim zijn dat ook hier een volledige toewijzing niet op zijn plaats is. Dat geldt echter niet voor zover de vordering ziet op gegevens waarin – heel concreet – de namen voorkomen van overgestapte werknemers en van klanten van [eiser] waarvan uit het Hoffmann rapport blijkt dat deze in de e-mail correspondentie van het ‘luddevede-domein’ zijn aangeduid met de term ‘onboarding cliënts’ en die vermoedelijk ook naar [gedaagde 2] zijn overgegaan. Er bestaan voldoende aanwijzingen dat bewijs voor betrokkenheid van gedaagden bij het ‘ronselen’ van personeel en het ‘overhevelen’ van klanten daarin kan worden aangetroffen. De vordering zal gedeeltelijk worden toegewezen, met dien verstande dat de toewijzing wordt beperkt tot door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verzonden items in e-mails, andere berichten en Whatsapp en, qua sociale media, tot de specifiek in het petitum vermelde kanalen, aangezien het meer gevorderde te ruim is. Een reden voor de beperking tot verzonden items is dat het hier gaat om actief handelen van gedaagden te bewijzen, terwijl het bij de ontvangen items met name gaat om gegevens van derden, die in deze zaak geen partij zijn. Wat de klanten betreft zal de toewijzing verder worden beperkt tot het lijstje van klanten dat al in de correspondentie is aangetroffen, aangezien [eiser] onvoldoende heeft geconcretiseerd welke aanwijzingen er zijn dat de overige genoemde klanten door [gedaagde 2] zijn overgenomen.