Gepubliceerd op dinsdag 3 maart 2026
IEF 23317
Rechtbank Den Haag ||
18 feb 2026
Rechtbank Den Haag 18 feb 2026, IEF 23317; ECLI:NL:RBDHA:2026:3246 (Thuiskopie tegen JPS), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rechtbank-jps-moet-thuiskopievergoeding-betalen-en-volledige-opgave-doen

Rechtbank: JPS moet thuiskopievergoeding betalen en volledige opgave doen

Rb. Den Haag 18 februari 2026, IEF 23317; ECLI:NL:RBDHA:2026:3246 (Thuiskopie tegen JPS). De Rechtbank Den Haag oordeelt dat Just Phone Sales (JPS) de volledige door Stichting de Thuiskopie gevorderde thuiskopievergoeding over 2019 tot en met 2024 moet betalen, in totaal € 346.555,30. Op grond van de artikelen 16c, 16f en 16ga Auteurswet is een importeur of verkoper van vergoedingsplichtige voorwerpen gehouden om opgave te doen en de verschuldigde vergoeding af te dragen. JPS erkende in beginsel dat zij onder die regeling viel, maar stelde dat een deel van de betalingsplicht was vervallen door export van geïmporteerde producten, dat zij recht had op restitutie voor in Nederland ingekochte en daarna uitgevoerde producten, en dat voor refurbished voorwerpen een lager tarief gold. De rechtbank verwerpt die verweren, omdat JPS onvoldoende heeft bewezen dat de gestelde exporten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, dat die exporten deugdelijk aan importen of inkopen konden worden gekoppeld, en dat over de betrokken producten al thuiskopievergoeding was betaald. Ook het beroep op een lager refurbished-tarief is onvoldoende onderbouwd. De wettelijke rente wordt wel pas toegewezen vanaf de vervaldata van de facturen, omdat de betalingsverplichting wel bij invoer ontstaat, maar pas na opgave, facturering en het verstrijken van de betaaltermijn opeisbaar wordt.

Daarnaast beveelt de rechtbank JPS om binnen twee maanden na betekening van het vonnis een volledige en gespecificeerde opgave te doen van alle sinds 13 juni 2019 tot en met heden geïmporteerde en verkochte vergoedingsplichtige voorwerpen, inclusief de bescheiden waaruit blijkt of de thuiskopievergoeding al door fabrikant of importeur is betaald. Aan die verplichting is een dwangsom verbonden van € 500 per dag, met een maximum van € 100.000. Ook verbiedt de rechtbank JPS om zulke voorwerpen in Nederland te importeren, fabriceren of verhandelen zonder tijdige opgave, inzage in bescheiden of betaling van de verschuldigde vergoeding; ook daarop staat een gemaximeerde dwangsom. De reconventionele vordering van JPS tot restitutie van € 68.568,87 wordt afgewezen, mede omdat JPS niet heeft voldaan aan de contractuele termijn van zes maanden voor het indienen van een restitutieverzoek na export. JPS wordt veroordeeld in de proceskosten van Thuiskopie van € 22.427,28; de proceskosten in reconventie worden op nihil begroot.

Betalingsverplichting thuiskopievergoeding

4.2.

JPS betwist niet dat zij op grond van artikel 16c lid 2 Aw thuiskopievergoeding verschuldigd is aan Thuiskopie. JPS stelt echter dat het door Thuiskopie gevorderde bedrag van in totaal € 346.555,30 – dat Thuiskopie heeft gebaseerd op de door JPS op 6 mei 2025 gedane opgave – te hoog is. Onder verwijzing naar haar opgave stelt JPS dat Thuiskopie ten onrechte geen rekening houdt met de export van door haar geimporteerde en in Nederland ingekochte voorwerpen, hetgeen in mindering moet worden gebracht op de af te dragen thuiskopievergoeding. JPS stelt dat zij voor € 183.963,78 aan geïmporteerde voorwerpen heeft uitgevoerd, zodat de betalingsverplichting voor die voorwerpen is komen te vervallen op grond van artikel 16c lid 4 Aw) en dat zij voor € 117.741,79 aan in Nederland ingekochte voorwerpen, waarover al thuiskopievergoeding is afgedragen, heeft geëxporteerd, zodat zij recht heeft op restitutie daarvan op grond van de ‘Voorwaarden vrijstelling & restitutie’ van Thuiskopie. Verder stelt JPS dat het door Thuiskopie berekende bedrag te hoog is omdat voor refurbished voorwerpen een lager tarief geldt.

4.3.

De bewijslast ten aanzien van het bestaan van het volgens JPS bestaande verval van de betalingsverplichting of het recht op restitutie wegens export rust op JPS. JPS heeft daar echter niet aan voldaan. Zij heeft haar stellingen niet nader onderbouwd naar aanleiding van het verweer van Thuiskopie waaruit volgt dat het door JPS gestelde recht op verval of restitutie wegens export niet kan worden gebaseerd op de opgave om de volgende redenen:

- een deel van de eerder door JPS opgegeven voorwerpen komt niet voor in de opgave;

- de verklaring van JPS dat zij voorwerpen zelf de grens over heeft gereden, vormt onvoldoende bewijs dat de voorwerpen Nederland daadwerkelijk hebben verlaten;

- JPS heeft geen aanvullende documenten aangeleverd waaruit blijkt dat haar afnemers in het buitenland de daar verschuldigde thuiskopievergoeding hebben afgedragen;

- uit opgaven van andere vergoedingsplichtige ondernemingen blijkt dat JPS verkochte voorwerpen heeft opgegeven alsof zij deze heeft ingekocht en vervolgens heeft geëxporteerd;

- de steekproef die JPS zelf heeft genomen om aan te tonen dat de opgave juist is, is niet representatief en subjectief en Thuiskopie heeft ook daarin verschillende afwijkingen geconstateerd, zoals verkeerd opgenomen voorwerpen, te weinig opgegeven inkopen en ontbrekende transportdocumenten om de export mee aan te tonen.

4.4.

JPS heeft voor dit alles geen verklaring gegeven. De stelling dat eerdere opgaven moeten worden genegeerd omdat daar fouten in staan door een softwaresysteem is onvoldoende. Ook heeft JPS geen nader bewijs van export geleverd. JPS heeft enkel de door Thuiskopie geconstateerde fouten erkend en de berekening daarop aangepast. Dit neemt echter niet weg dat de opgave geen bewijs vormt voor de door JPS gestelde koppeling tussen importen/inkopen en exporten en de stelling dat de exporten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. JPS heeft ook niet bewezen dat (door haarzelf of de partij bij wie is ingekocht) al thuiskopievergoeding is afgedragen voor de voorwerpen waarvan zij stelt dat ze deze heeft geëxporteerd. Daarbij komt dat JPS op grond van artikel 6 lid 2 van de ‘Voorwaarden vrijstelling & restitutie’ binnen zes maanden na export een restitutieaanvraag had moeten doen, hetgeen zij niet heeft gedaan.

4.5.

Nu niet is vast komen te staan dat JPS de door haar geïmporteerde en binnenlands ingekochte voorwerpen heeft geëxporteerd en/of dat er al thuiskopievergoeding voor deze voorwerpen is afgedragen en haar stellingen dienaangaande, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door Thuiskopie als onvoldoende onderbouwd worden verworpen, dient uitgegaan te worden van het bedrag aan thuiskopievergoeding dat Thuiskopie heeft berekend aan de hand van de opgave van JPS, zonder rekening te houden met de gestelde exporten. Gelet op het voorgaande heeft JPS geen recht op betaling van enig bedrag door Thuiskopie.

4.6.

De vordering in reconventie zal dan ook worden afgewezen en de vorderingen in conventie onder i t/m vi zullen worden toegewezen. De gevorderde bedragen komen overeen met de door Thuiskopie gestuurde facturen (zie 2.4) en zijn als zodanig niet door JPS betwist. De stelling van JPS dat een lager tarief geldt omdat zij nagenoeg uitsluitend in refurbished voorwerpen handelt, heeft zij, na betwisting door Thuiskopie, niet nader onderbouwd. De rechtbank gaat dan ook uit van de gevorderde bedragen conform de facturen. De daarover gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de vervaldatum van de respectievelijke facturen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de wettelijke rente te bepalen vanaf de laatste dag van het jaar waar de vorderingen betrekking op hebben, zoals Thuiskopie heeft gevorderd. Hoewel in artikel 16c lid 3 Aw is bepaald dat de verplichting tot betaling van de vergoeding ontstaat op het moment van invoer, kan hieruit naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat de nakoming van die verplichting op dat moment ook opeisbaar is. De importeur dient immers eerst (onverwijld) opgave te doen, waarna de verschuldigde thuiskopievergoeding kan worden vastgesteld en wordt gefactureerd. Pas na het verstrijken van de betalingstermijn van die factuur is de vordering tot nakoming van de betalingsvordering opeisbaar. Dit betekent dat ook de wettelijke rente pas vanaf die dag is verschuldigd. Gelet hierop zal de wettelijke rente over

€ 45.162,36 en € 29.057,34 worden toegewezen vanaf 3 september 2024, over € 10,40,

€ 912,60, € 2.519,60, € 3.463,- en € 9.755,60 vanaf 30 juni 2025 en over € 141,-, € 4.700,-, € 62.218,40, € 98.222,40, € 89.952,70 en € 439,90 vanaf 22 augustus 2025 (zie 2.4).