20 okt 2026,
Uitspraak ingezonden door Bertil van Kaam en Pascal Steijvers, Van Kaam Advocaten.
Rechtbank gebiedt gemeenteraadslid PRO beschuldigingen jegens speelparkeigenaar te rectificeren
Rb. Den Haag 20 oktober 2026, IEF 23942; ECLI:NL:RBDHA:2026:30325 ([eiser] tegen [gedaagde]). Eiser in deze zaak is een ondernemer en eigenaar van een speelpark. Hij heeft dit speelpark op 21 april 2026 op een executieveiling gekocht en heeft het park op 21 juli 2026 geopend voor het publiek. Gedaagde is een gemeenteraadslid in de gemeente waar het speelpark gelegen is en houdt zich bezig met woningbouw. Het gemeenteraadslid heeft zich via diverse (sociale media)kanalen herhaaldelijk negatief uitgelaten over de speelparkeigenaar. In een radio-interview met Rijnmond op 22 april 2026 kwalificeert hij hem onder meer als "een spijkerharde speculant" die "de Samaritaan speelt", dat het hem "puur om het geld gaat" en dat hij later op het terrein van het speelpark "peperdure woningen" wil bouwen terwijl "hij net doet of hij het voor de kinderen in de wijk doet" (uitlating 1). Uitlating 1 is in diverse media overgenomen. Op 21 augustus 2026 beschuldigt het gemeenteraadslid de speelparkeigenaar er in een interview op YouTube daarnaast van de lokale Amsterdamse fracties van de Partij voor de Deuren en het CDA te hebben omgekocht door hen elk € 100.000,00 te doneren om hun stemgedrag te beïnvloeden (uitlating 2). Het gemeenteraadslid weigert voornoemde beschuldigingen te rectificeren, waarna de speelparkeigenaar een procedure bij de voorzieningenrechter in Den Haag start. Het gemeenteraadslid stelt dat sprake zou zijn van een SLAPP.
De voorzieningenrechter beoordeelt het geschil vervolgens aan de hand van de afweging tussen de vrijheid van meningsuiting van het gemeenteraadslid (artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM) en het recht van de speelparkeigenaar op bescherming van zijn eer en goede naam (artikel 8 EVRM). Beide rechten zijn in beginsel gelijkwaardig. De voorzieningenrechter overweegt dat een gemeenteraadslid als politicus weliswaar een ruime bescherming geniet maar die bescherming ook grenzen kent. Ten aanzien van uitlating 1 oordeelt de voorzieningenrechter dat het gemeenteraadslid zijn stellingen als vaststaande feiten en niet als meningen presenteert. Hij heeft daarvoor - ook desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling - geen feitelijke onderbouwing gegeven. Onbetwist is dat de speelparkondernemer nooit woningen heeft ontwikkeld, inmiddels circa € 18 miljoen heeft geïnvesteerd in het park, het park heeft geopend en kinderen uit de wijk gratis of goedkoop binnenlaat. Met name met de beschuldiging dat de speelparkeigenaar eigenlijk peperdure woningen zou willen bouwen en dit over de rug van kinderen zou doen, valt het gemeenteraadslid zonder onderbouwing de intenties en integriteit van de speelparkeigenaar aan. Dit tast zijn eer en goede naam aan en heeft gevolgen voor de exploitatie van het speelpark. Uitlating 1 is daarom onrechtmatig. De voorzieningenrechter kwalificeert uitlating 2 als een beschuldiging van ambtelijke omkoperij, hetgeen een strafrechtelijk misdrijf is. Het gemeenteraadslid heeft in zijn conclusie van antwoord en in een video op zijn Instagram-kanaal van 4 oktober 2026 verklaard dat deze beschuldiging van omkoping niet juist is. Door deze beschuldiging desondanks zonder feitelijke grondslag te uiten, handelt het gemeenteraadslid onrechtmatig jegens de speelparkeigenaar. De voorzieningenrechter oordeelt dat het gemeenteraadslid uitlatingen 1 en 2 dient te rectificeren op zijn Instagram- en LinkedIn-kanaal. Omdat beide uitlatingen onrechtmatig zijn en de rectificatievordering deels wordt toegewezen, kan van een SLAPP geen sprake zijn. Het gevorderde verbod en de dwangsom worden afgewezen omdat van een volksvertegenwoordiger mag worden verwacht dat hij zich aan de wet en het vonnis houdt. Het gemeenteraadslid wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 1.858,94.
4.3.
In dit geval is sprake van een dergelijke uitzondering. [eiser] stelt in deze procedure namelijk dat [gedaagde] in april 2026 tijdens een interview met Rijnmond uitlating 1 over [eiser] heeft gedaan terwijl hij dat niet had mogen doen omdat [eiser] daardoor schade heeft geleden en uitlating 1 dus onrechtmatig is. Hetzelfde geldt voor uitlating 2 die [gedaagde] heeft gedaan in een interview voor het YouTube-kanaal Pretparkuur. Zowel het interview bij Rijnmond als het interview op het YouTube-kanaal Pretparkuur zijn dus schadebrengende feiten die [eiser] [gedaagde] verwijt. Een rechtbank is relatief bevoegd als een schadebrengend feit is gepleegd in het arrondissement van die rechtbank. Het interview van Rijnmond en het Youtube-kanaal Pretparkuur waren in Den Haag te beluisteren. Daarom is de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag bevoegd. Anders dan [gedaagde] aanvoert, is het niet nodig dat [eiser] stelt dat, en welke, personen in Den Haag de uitlatingen hebben gehoord en dat hij daardoor in Den Haag schade heeft geleden. Voldoende is dat de uitlatingen in Den Haag te beluisteren waren.
4.18.
Gelet op deze stellingen van [eiser] , draait het om de volgende uitlatingen van [gedaagde] : “Hij speelt bij jullie en elders de Samaritaan in de krant. Maar het is gewoon een spijkerharde speculant”, “Om straks peperdure woningen daar te willen gaan bouwen” en “Dus het gaat hem puur om geld. En dat hij net doet of dat hij het voor de kinderen in de wijk doet”.
4.19.
De eerste twee uitlatingen, inzake de Samaritaan en de speculant, licht [gedaagde] in het vervolg van het interview als het ware toe door te zeggen dat [eiser] peperdure huizen wil bouwen (keiharde speculant) en het hem puur om het geld gaat en hij net doet of hij het voor de kinderen doet (speelt de Samaritaan). Daarnaar gevraagd tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] geen feitelijke onderbouwing gegeven van zijn uitspraak dat [eiser] straks peperdure woningen wil gaan bouwen. [eiser] heeft zelf ter mondelinge behandeling gezegd dat hij nog nooit woningen heeft ontwikkeld. [gedaagde] heeft dat niet weersproken. In zijn conclusie van antwoord als ook tijdens de mondelinge behandeling heeft (de advocaat van) [gedaagde] gesteld dat [eiser] na de afloop van de erfpacht in 2030 het pretpark wil blijven exploiteren. Gelet op dit een en ander is er dan ook geen aanwijzing dat [eiser] van plan is om na 2030 peperdure huizen op de locatie van het pretpark te ontwikkelen. Daardoor ontbreekt ook een onderbouwing van [gedaagde] uitlating dat [eiser] een spijkerharde speculant is.
Ook heeft [gedaagde] geen feitelijke onderbouwing gegeven van zijn uitlating dat het [eiser] puur om het geld gaat en dat hij net doet of hij het voor de kinderen in de wijk doet. De handelingen van [eiser] na april 2026 weerspreken dit ook. [eiser] heeft naar eigen zeggen inmiddels € 18.000.000 geïnvesteerd in de attracties en het pretpark is binnen korte tijd na verwerving door [eiser] geopend. Onweersproken is ook dat kinderen uit [stadsdeel] gedurende een bepaalde periode gratis naar het park konden en dat de prijzen van gezond eten laag zijn gehouden. Ter zitting is verder naar voren gebracht dat de toegang voor kinderen laag wordt gehouden. En [eiser] gaat, ook volgens [gedaagde] , ervoor strijden dat het pretpark na 2030 open blijft. In het verlengde hiervan ontbreekt ook een feitelijke onderbouwing voor de kwalificatie dat [eiser] de Samaritaan speelt.
4.22.
Met een deel van de uitlatingen in het radio-interview is [gedaagde] echter daarbij te ver gegaan. [gedaagde] strijdt voor woningbouw na 2030 en [eiser] voor de voortzetting van zijn pretpark. Dit betreft een politiek onderwerp, namelijk de bestemming van een schaars stuk grond in [plaats 1] , waarbij [eiser] en [gedaagde] tegenstrijdige belangen hebben. Daarbij hebben ze ieder een andere positie. [gedaagde] is gemeenteraadslid en [eiser] is contractspartij van de gemeente. Door deze strijd aan te gaan en daarbij gebruik te maken van de media, mengt [eiser] zich als contractspartij openlijk in het politieke debat. Daarbinnen kan [gedaagde] zich veel veroorloven. Hij heeft daarbij een grote vrijheid om maatschappelijke thema’s te bespreken in de woorden die hem daarvoor het meest geschikt lijken8. En daarbij mag het handelen van [eiser] , omdat hij zich met forse uitspraken in het publieke debat mengt, ook aan de kaak worden gesteld. Daarbij geldt echter wel een grens.
4.23.
Alhoewel het betreffende stuk uit het radio-interview waar het hier om gaat, begint met de woorden “ik geloof er helemaal niets van” brengt [gedaagde] zijn daarop volgende uitlatingen als feiten en niet als zijn persoonlijke mening. [gedaagde] heeft geen feitelijke onderbouwing kunnen geven voor de uitlatingen inzake de peperdure woningen en de bedoelingen van [eiser] voor wat betreft de kinderen. Deze uitlatingen vormen de kern van het terechte verwijt dat [eiser] [gedaagde] maakt, namelijk dat hij de intenties en integriteit van [eiser] aanvalt en daarmee [eiser] in zijn eer en goede naam aantast. [eiser] wordt zonder feitelijke onderbouwing in een kwaad daglicht gesteld doordat hij ervan wordt beschuldigd geen eerlijke intenties te hebben met de kinderen in [plaats 1] en dat wordt onderstreept door de woorden dat [eiser] peperdure woningen op de grond wil bouwen. Dat dit gevolgen heeft voor de exploitatie van het pretpark, heeft [gedaagde] ook niet bestreden. Hij heeft slechts aangevoerd dat [eiser] niet zelf de eigenaar is van het pretpark, maar een vennootschap waarvan hij (mogelijk indirect) de aandelen houdt. Daardoor zou [eiser] zelf geen schade leiden door de uitlatingen. Aan dit laatste gaat de rechtbank voorbij. [eiser] en niet zijn vennootschap wordt door [gedaagde] aangesproken en het behoeft geen verdere toelichting dat [eiser] bij de exploitatie van het pretpark hinder ondervindt van de kwalijke gevolgen van de uitlatingen omdat hij in de pers wordt geïdentificeerd met het pretpark. Onder deze omstandigheden zijn de uitlatingen van [gedaagde] zoals aangehaald onder 4.15. onrechtmatig jegens [eiser] .
4.26.
Tijdens een interview voor het YouTube-kanaal Pretparkuur heeft [gedaagde] het volgende gezegd:
"Hij heeft daar [in [plaats 2] ] trouwens ook nog geprobeerd om politieke partijen om te kopen. Hij heeft de Partij voor de Dieren en CDA allebei een ton gedoneerd om hun stemgedrag te beïnvloeden."
4.27.
In de conclusie van antwoord heeft [gedaagde] geschreven dat hij inziet dat zijn uitlatingen op dit punt niet volledig juist waren en dat [eiser] de bedragen niet heeft geschonken om het stemgedrag van de betreffende politieke partijen te beïnvloeden.
Door dit wel te beweren, terwijl een feitelijke grondslag ontbrak, heeft [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld. Hij beschuldigde [eiser] immers ten onrechte van ambtelijke omkoperij, een misdrijf waarop in het wetboek van Strafrecht een gevangenisstraf staat.