Gepubliceerd op maandag 8 juni 2026
IEF 23610
Rechtbank Noord-Holland ||
4 jun 2026
Rechtbank Noord-Holland 4 jun 2026, IEF 23610; ECLI:NL:RBNHO:2026:6422 ((VNV tegen [gedaagde])), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rb-noord-holland-verbiedt-het-opnieuw-verspreiden-van-ernstige-beschuldigingen-en-legt-een-contactverbod-op

Samenvatting geschreven door Bertil van Kaam & Pascal Steijvers, Van Kaam

Rb. Noord-Holland verbiedt het opnieuw verspreiden van ernstige beschuldigingen en legt een contactverbod op

Rb. Noord-Holland 4 juni 2026, IEF 23610; ECLI:NL:RBNHO:2026:6422 (VNV tegen [gedaagde]). Eiseres in deze zaak is de Vereniging Nederlandse Verkeersvliegers (VNV). De VNV is een vakbond en beroepsvereniging van Nederlandse burgerluchtvaartpiloten. Als vakbond onderhandelt zij namens haar leden met luchtvaartmaatschappijen, zoals KLM, over uiteenlopende collectieve regelingen. Gedaagde is een natuurlijke persoon met een herstructureringsbedrijf. Hij is tevens toegevoegd gerechtsdeurwaarder. Volgens gedaagde zijn er organisatorische en financiële problemen bij KLM en is dat om uiteenlopende redenen de schuld van de VNV. Tegen deze achtergrond uit gedaagde in 2025 in diverse e-mailberichten aan de VNV, KLM, en andere vakbonden die betrokken zijn in de luchtvaartbranche, uiteenlopende beschuldigingen aan het adres van de VNV. De VNV zou om verschillende redenen onrechtmatig handelen jegens onder meer KLM. Daarnaast beschuldigt hij de VNV ervan KLM op te lichten, af te persen en zou de VNV meineed hebben gepleegd, de rechterlijke macht hebben voorgelogen, een criminele organisatie zijn en journalisten intimideren. Bovendien dreigt gedaagde in zijn berichten bij herhaling met het doen van aangifte tegen de VNV en met naam genoemde (oud-)bestuurders en kondigt hij meerdere keren aan op het kantoor van de VNV langs te komen om "het een en ander te bespreken". De VNV vordert bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland een verbod op het opnieuw verspreiden van voornoemde beschuldigingen jegens de VNV. Daarnaast vordert de VNV inzage in de lijst met namen van alle partijen aan wie gedaagde de beschuldigingen heeft verspreid en een contactverbod van 2 jaar. De voorzieningenrechter beoordeelt dit geschil in het licht van de afweging tussen twee in beginsel gelijkwaardige fundamentele grondrechten. Namelijk enerzijds het recht op vrijheid van meningsuiting van gedaagde en anderzijds het recht op de bescherming van de eer, goede naam, reputatie en eerbiediging van de persoonlijke levensfeer van de VNV.

De voorzieningenrechter overweegt dat de beschuldigingen ernstig zijn, door gedaagde in zijn e-mails in zeer felle bewoordingen worden geuit en stellig worden gepresenteerd als vaststaande feiten. Bij ernstige strafrechtelijke beschuldigingen is een aanzienlijk grotere mate van zorgvuldigheid vereist dan wanneer het enkel over waardeoordelen gaat. Vervolgens oordeelt de voorzieningenrechter dat niet gebleken is van enig strafbaar handelen door de VNV. Er is ook geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake zou zijn van strafrechtelijke vervolging of enig voornemen daartoe. Het feit dat gedaagde zelf aangifte tegen de VNV heeft gedaan, is onvoldoende. De beschuldigingen vinden daarom onvoldoende steun in de feiten. Tot slot acht de voorzieningenrechter het onder meer van belang dat gedaagde naar verloop van tijd de druk op de VNV steeds verder heeft opgevoerd en verdergaande beschuldigingen is gaan uiten tot aan het dreigen met aangiften tegen de VNV en (oud-)bestuursleden aan toe. De conclusie van de voorzieningenrechter is daarom dat het evident is dat gedaagde de eer, goede naam en reputatie van de VNV en haar bestuurders heeft geschaad. Hier is geen objectieve rechtvaardiging voor. De belangen van de VNV wegen daarom zwaarder dan de belangen van gedaagde. Het verbod op het nogmaals verspreiden van de beschuldigingen en het contactverbod worden toegewezen. Enkel de vordering tot het geven van inzage in de lijst van partijen waaraan gedaagde de beschuldigingen heeft verspreid wordt afgewezen. Gedaagde heeft namelijk ter zitting desgevraagd verklaard de beschuldigingen niet aan andere dan in de processtukken genoemde partijen te hebben verspreid. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.

5.6. [gedaagde] beschuldigt VNV in e-mails aan VNV en KLM - waarbij hij diverse vakbonden zoals AVV en CNV in kopieert - van oplichting, afpersing, meervoudig onrechtmatig handelen, meineed, het zijn van een criminele organisatie en het intimideren van journalisten. Dit zijn merendeels ernstige strafbare feiten, waarbij de term ‘criminele organisatie’ weliswaar niet als zodanig in het Wetboek van Strafrecht voorkomt, maar dit de gangbare benaming is voor een samenwerkingsverband met het oogmerk om misdrijven te plegen. Deelname aan een dergelijke organisatie, waarvan [gedaagde] stelt VNV dat is, is strafbaar.2 [gedaagde] stelt dat zijn beschuldigingen zijn onderbouwd en bewezen. Hij presenteert deze stellig en als vaststaande feiten. Bij ernstige beschuldigingen van strafbare feiten als deze is een aanzienlijk grotere mate van zorgvuldigheid vereist dan wanneer het enkel gaat om een waardeoordeel.

5.7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat niet is gebleken dat sprake is van enig strafbaar handelen door VNV. Er is geen strafrechtelijke veroordeling en [gedaagde] heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een strafrechtelijke vervolging of enig voornemen daartoe. Het enkele feit dat [gedaagde] aangifte tegen VNV heeft gedaan, is daarvoor onvoldoende. De beschuldigingen vinden in zoverre onvoldoende steun in de beschikbare feiten.

5.10. De voorzieningenrechter acht ten aanzien van de inkleding van de beschuldigingen tevens van belang dat [gedaagde] vanaf het eerste e-mailcontact met VNV zeer felle bewoordingen heeft gebruikt. Hoewel dit geoorloofd kan zijn om stellingen kracht bij te zetten, valt niet in te zien hoe dit bijdraagt aan de wens van [gedaagde] om met VNV in gesprek te komen en bijval te krijgen van KLM of andere vakbonden. [gedaagde] stelt weliswaar dat zijn uitingen binnen proporties en legitiem zijn en slechts bedoeld om VNV tot de orde te roepen, maar hij sluit zijn bericht aan KLM op 22 januari 2025 (r.o. 3.7) af met de woorden dat ‘de toekomst er een zonder VNV’ is. Mede gelet op de daaropvolgende ernstige beschuldigingen van afpersing, oplichting, liegen en misleiden, meineed en dat VNV een criminele organisatie zou zijn, waardeert de voorzieningenrechter de uitingen als excessief en meer gericht op het beschadigen van VNV dan dat op zichzelf honorabele bedoelingen op de voorgrond staan.

5.11. Daarnaast is van belang dat KLM van begin af aan heeft aangegeven geen prijs te stellen op de inmenging van [gedaagde] in de gesprekken tussen vakbondsbestuurders (van VNV) en KLM als werkgever. In plaats van zich te bezinnen op de legitimiteit van zijn missie, waarbij [gedaagde] zegt op te komen voor de belangen van KLM en haar werknemers, heeft [gedaagde] daarna de druk op VNV alleen maar opgevoerd met steeds verdergaande beschuldigingen tot aan het dreigen met het doen van aangifte tegen zowel VNV als alle bestuurdersleden van VNV en alle bestuursleden van VNV die in het verleden hebben gedreigd met staken (r.o. 3.19). Ook het vonnis van de kantonrechter heeft [gedaagde] niet tot inkeer gebracht. De voorzieningenrechter neemt verder in aanmerking dat [gedaagde] tot aan de sommatiebrief van VNV zich niet uitsluitend tot VNV heeft gericht, maar stelselmatig andere vakbonden en KLM in de e-mailcorrespondentie heeft meegenomen.

5.12. Het is evident dat VNV door de uitlatingen van [gedaagde], die KLM en andere vakbonden hebben bereikt door hen in e-mails in te kopiëren, in haar eer en goede naam wordt geschaad en tevens in haar reputatie en onafhankelijke onderhandelingspositie als vakvereniging. Datzelfde geldt voor haar bestuurders. [gedaagde] heeft met zijn uitlatingen, waarvoor, zoals hiervoor overwogen geen objectieve rechtvaardiging bestaat, jegens VNV dus onrechtmatig gehandeld. De voorzieningenrechter is dan ook voorshands van oordeel dat [gedaagde] met het doen van deze beschuldigingen de grenzen van hetgeen toelaatbaar is, heeft overschreden. Omdat VNV van de door [gedaagde] geuite beschuldigingen schade ondervindt, dient het belang van VNV op bescherming van de eer, goede naam en (bedrijfs)reputatie zwaarder te wegen dan het belang van [gedaagde] op vrijheid van meningsuiting. Het gevorderde verbod tot het op welke wijze dan ook openbaar maken of verspreiden van de beschuldigingen of nieuwe of andere strafrechtelijke uitingen, is daarom toewijsbaar. Daar doet niet aan af dat [gedaagde] na de sommatiebrief andere partijen niet meer heeft in gekopieerd in zijn e-mails aan (de advocaten van) VNV. De voorzieningenrechter acht het, gelet op de reactie van [gedaagde] na het afwijzend kort geding vonnis van de kantonrechter, niet uitgesloten dat [gedaagde] zijn beschuldigingen weer zal intensiveren en daar derden in mee zal nemen.

5.13. Gelet op het vorenstaande en de impact van de beschuldigingen op (de bestuurders van) VNV, zal het gevorderde contactverbod ook worden toegewezen.