IEF 19791

Prejudiciële vraag: wanneer sprake van 'ouder recht'?

HR 19 februari 2021, IEF 19791, ECLI:NL:HR:2021:271 (Eiseres tegen CCC) [Vervolg op IEF 19706]. In dit geding vordert eiseres van CCC c.s. om inbreuk op haar Benelux-woordmerk en handelsnamen te staken. CCC c.s. verweert zich hiertegen door te stellen dat een merkhouder zich niet kan verzetten tegen het gebruik van een overeenstemmend teken in het economisch verkeer, dat zijn bescherming ontleent aan een ouder recht van slechts plaatselijke betekenis, indien en voor zover dat recht erkend is ingevolge de wettelijke bepalingen van één van de Benelux-landen. De rechtbank wees de vorderingen toe, het hof wees ze juist weer af [IEF 18884]. Namens eiseres is een kleine aanvulling op de tweede vraag voorgesteld. De Hoge Raad heeft dit voorstel overgenomen en zo een kleine wijziging aangebracht ten opzichte van het arrest van 15 januari 2021.

Prejudiciële vragen:

1. Is voor de vaststelling dat sprake is van een “ouder recht” van een derde als bedoeld in art. 6 lid 2 van de ingetrokken richtlijn 2008/95/EG

a) voldoende dat die derde voorafgaand aan het merkdepot in het economisch verkeer gebruik heeft gemaakt van een in de wetgeving van de betrokken lidstaat erkend recht; of

b) vereist dat die derde op grond van dit oudere recht, volgens de toepasselijke nationale wetgeving, het gebruik van het merk door de merkhouder kan verbieden?

2. Is bij de beantwoording van vraag 1 nog van belang of de merkhouder een nog ouder (in de wetgeving van de betrokken lidstaat erkend) recht heeft ten aanzien van het als merk ingeschreven teken en zo ja, is dan van belang of de merkhouder op grond van dit nog oudere erkende recht het gebruik door de derde van het gestelde “ouder recht” kan verbieden?