IEF 18884

Handelsnaaminbreuk touringcar afgewezen vanwege langdurig gedogen

Hof Den Haag 12 februari 2019, IEF 18884; ECLI:NL:GHDHA:2019:1530 (CCC tegen BV) Merkinbreukvordering afgewezen. CCC en BV zijn ondernemingen in touringcardiensten. BV is houder van Benelux-woordmerken en domeinnamen. Zelfs als zou moeten worden aangenomen BV niet wist dat CCC haar handelsnamen op haar touringcars gebruikte en die onwetendheid haar ook niet te verwijten was, zijn de overige omstandigheden van dit geval (het gedogen van handelsnamen op de touringcars en oldtimerbussen, de langdurige samenwerking tussen partijen en de gezamenlijke grootvader als oorsprong van de handelsnamen) voldoende om aan te nemen dat CCC gerechtvaardigd heeft vertrouwd dat geïntimeerde zich niet zou verzetten tegen het gebruik door CCC van de handelsnaam Almere-Tours op haar touringcars. Het vonnis van 10 mei 2017 [IEF 16780], verbeterd in het herstelvonnis van 28 juni 2017, wordt vernietigd.

36. Ad a. Het hof is van oordeel dat het publiek het gebruik van de aanduiding [vader 2] & Zn op de oldtimerbussen door de duidelijke plaatsing en het onderscheidende karakter zal aanmerken als (onderdeel van) handelsnaamgebruik. Het gebruikte lettertype doet daaraan niet af. Weliswaar kunnen slechts woorden of lettercombinaties dienen en beschermd worden als handelsnaam en niet figuratieve elementen, zoals een bepaalde schrijfwijze, maar dat leidt er niet toe dat een naam die is geschreven in een bepaald lettertype niet als handelsnaam kan dienen. Het hof acht de handelsnaam ook niet misleidend. Niet betwist is dat het bedrijf van VOF Amersfoort’s Bloei 1991 is voortgezet door CCC na het overlijden van [vader 2] . CCC c.s. heeft gesteld dat [moeder] en haar zoons [appellant 2] en [appellant 3] toen zijn toegetreden tot CCC. Dat dit zo is valt af te leiden uit de door [geïntimeerde] zelf als producties 6, 26, blad 1, en 27 overgelegde uittreksels uit de Kamer van Koophandel betreffende CCC. Op de dag van toetreding als vennoten van CCC (10 april 1995), is [moeder] blijkens productie 26, blad 3, uitgetreden uit Amersfoort’s Bloei 1991. Voorts blijkt daaruit dat [moeder] (pas) op 21 december 2000 als vennoot is uitgetreden uit CCC en ingeschreven als gevolmachtigde. [vader 2] & Zn heeft dus wel degelijk als combinatie een busonderneming gedreven. De stelling dat [moeder] als weduwe geen aanspraak meer had op de naam [merknaam] is niet onderbouwd en kan het hof niet volgen en wordt dan ook gepasseerd.

37. Ad b. Uit diverse overgelegde facturen, een offerte, een formulier betreffende vervoer tussen SBS en Bg en een verklaring van [medewerker Connexxion 2] , voormalig werknemer van Connexion tours, inhoudende dat vanaf 2001 van de “firma [vader 2] ” de Amerikaanse schoolbus werd ingehuurd voor scholierenvervoer (producties 27, 31 en 40 (bladzijde 4) CCC c.s.), valt af te leiden dat de Amerikaanse schoolbus (nr 51) ook is gebruikt en aangeboden voor ander personenvervoer dan vervoer voor bruiloften en partijen. Nu [geïntimeerde] deze producties onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, gaat het hof ervan uit dat met deze oldtimerbus wel direct concurrerende activiteiten werden verricht.

Het hof is voorts van oordeel dat ook als de oldtimerbussen slechts zouden zijn/worden gebruikt voor bruiloften en partijen, het gedogen daarvan niettemin een relevante omstandigheid is om aan te te nemen dat CCC c.s. gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat [geïntimeerde] (ook) geen bezwaar had tegen het voeren van de [merknaam] -handelsnaam op een touringcar voor ongeregeld personenvervoer. Ook zulk gebruik van haar oldtimerbussen zou immers, nu [geïntimeerde] ook personenvervoer per bus verzorgt, haar merk heeft gedeponeerd voor alle mogelijke soorten vervoer van personen door (kleine) bussen, touringcars en oldtimers, en het gebruik van het woord [merknaam] zorgt voor merkenrechtelijk en handelsnaamrechtelijk verwarringgevaar, in beginsel inbreuk opleveren. Door het gedogen van dit gebruik kon dan ook (mede) het gerechtvaardigd vertrouwen worden opgewekt dat [geïntimeerde] tegen verwarringgevaar geen bezwaar had.

38. Het hof is ten slotte van oordeel, dat zelfs als zou moeten worden aangenomen dat [geïntimeerde] niet vanaf 2007 wist dat CCC [merknaam] -handelsnamen op haar touringcars gebruikte en die onwetendheid haar ook niet te verwijten was, de overige omstandigheden van dit geval (het gedogen van [merknaam] -handelsnamen op de touringcars van 1977 tot 1997 en op oldtimerbussen vanaf 2001, de langdurige samenwerking tussen partijen en de gezamenlijke grootvader als oorsprong van de handelsnamen) voldoende zijn om aan te nemen dat CCC gerechtvaardigd heeft vertrouwd dat [geïntimeerde] zich niet zou verzetten tegen het gebruik door CCC van de handelsnaam Almere-Tours [vader 2] op haar touringcars.