IEF 17041

Oordeel dat de bewijzen van European Food niet in aanmerking mochten worden genomen is onjuist

Gerecht EU 28 september 2016, ECLI:EU:T:2016:568; T-476/15; IEF 17041; IEFbe 2318 (European Food tegen EUIPO) Merkenrecht. Procesrecht. Nestlé heeft een inschrijvingsaanvraag gedaan betreft het woordteken 'FITNESS' waarna dit merk werd ingeschreven. European Food heeft een vordering tot nietigverklaring ingediend. Dit werd zowel door de oppositieafdeling als de beroepskamer van het EUIPO verworpen. De kamer van beroep heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de bewijzen die verzoekster voor het eerst voor de kamer had overgelegd, niet in aanmerking mochten worden genomen omdat deze te laat waren aangedragen. De beslissing van de beroepskamer wordt vernietigd.

50. Ten tweede, ook al bestond er in casu geen verplichting om de feiten ambtshalve te onderzoeken, dient te worden nagegaan of de kamer van beroep kon oordelen dat de bewijzen die verzoekster voor het eerst voor haar had overgelegd, te laat waren aangedragen, zoals het EUIPO beweert.

51. In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat het EUIPO krachtens artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009 geen rekening hoeft te houden met feiten en bewijzen die de partijen niet tijdig hebben aangevoerd.

52. Hieruit volgt dat het EUIPO over een beoordelingsmarge beschikt om rekening te houden met bepaalde bewijzen enkel en alleen wanneer deze bewijzen te laat werden overgelegd. Wanneer deze bewijzen tijdig werden overgelegd, verleent deze bepaling daarentegen geen enkele discretionaire bevoegdheid aan het EUIPO om deze bewijzen niet in aanmerking te nemen (zie in die zin arrest van 13 maart 2007, BHIM/Kaul, C‑29/05 P, EU:C:2007:162, punten 41‑43 en 63).

53. Derhalve dient te worden vastgesteld of, om de in de punten 36, 38, 40 en 43 supra uiteengezette redenen, bewijzen die voor het eerst voor de kamer van beroep zijn overgelegd in het kader van een nietigheidsprocedure wegens een absolute grond, moeten worden geacht niet tijdig, en dus te laat te zijn overgelegd (zie in die zin arrest van 13 maart 2007, BHIM/Kaul, C‑29/05 P, EU:C:2007:162, punt 49).

54. Wat het bestaan van een termijn voor de overlegging van de bewijzen betreft, voert het EUIPO regel 37, onder b), iv), van verordening nr. 2868/95 aan, volgens welke een vordering bij het EUIPO tot nietigverklaring van een Uniemerk, met betrekking tot de gronden waarop de vordering berust, een opgave behelst van de feiten, het bewijsmateriaal en de argumenten die ter staving van deze gronden worden aangevoerd.

55. Anders dan het EUIPO betoogt, blijkt geenszins uit regel 37, onder b), iv), van verordening nr. 2868/95 dat de kamer van beroep moet oordelen dat bewijzen die niet voor de nietigheidsafdeling werden overgelegd, te laat zijn aangedragen. Die regel preciseert immers enkel dat de vordering tot nietigverklaring de bewijzen moet omvatten waarop zij is gebaseerd. Daaruit volgt dus niet dat elk bewijs dat na de instelling van de vordering tot nietigverklaring is overgelegd, hetzij voor de nietigheidsafdeling hetzij voor de kamer van beroep, moet worden geacht te laat te zijn aangedragen.

56. Voorts dient te worden vastgesteld dat de verordeningen nr. 207/2009 en nr. 2868/95 geen enkele bepaling bevatten die een termijn stelt voor de overlegging van bewijzen in het kader van een vordering tot nietigverklaring wegens een absolute weigeringsgrond, in tegenstelling tot bepaalde bepalingen waarbij de termijnen en de gevolgen van de niet-eerbiediging ervan worden geregeld en die van toepassing zijn op de oppositieprocedure (regel 19, lid 1, regel 20, lid 1, en regel 22, lid 2, van verordening nr. 2868/95; zie in die zin arrest van 18 juli 2013, New Yorker SHK Jeans/BHIM, C‑621/11 P, EU:C:2013:484, punten 25‑28), de procedure tot vervallenverklaring (regel 40, lid 5, van deze verordening; zie in die zin arrest van 26 september 2013, Centrotherm Systemtechnik/BHIM en centrotherm Clean Solutions, C‑610/11 P, EU:C:2013:593, punten 80‑82) en de procedure tot nietigverklaring wegens relatieve weigeringsgronden [regel 40, lid 6, van deze verordening; zie in die zin arrest van 18 november 2015, Menelaus/BHIM – Garcia Mahiques (VIGOR), T‑361/13, EU:T:2015:859, punten 51 en 52 (niet gepubliceerd)].

57. Ook dient eraan te worden herinnerd dat er een functionele continuïteit bestaat tussen de verschillende instanties van het EUIPO die in eerste aanleg uitspraak doen, zoals de onderzoeker, de oppositieafdeling en de nietigheidsafdeling, enerzijds, en de kamers van beroep anderzijds [zie in die zin arresten van 23 september 2003, KLEENCARE, T‑308/01, EU:T:2003:241, punt 25, en 11 juli 2006, Caviar Anzali/BHIM – Novomarket (Asetra), T‑252/04, EU:T:2006:199, punt 30].

58. Gelet op een en ander dient te worden geoordeeld dat artikel 76 van verordening nr. 207/2009, gelezen in samenhang met regel 37, onder b), iv), van verordening nr. 2868/95, niet inhoudt dat de kamer van beroep in het kader van een nietigheidsprocedure wegens een absolute weigeringsgrond moet oordelen dat bewijzen die voor het eerst voor haar zijn overgelegd, te laat zijn aangedragen.