IEF 19356

Ontwikkeling methoden hardlooptrainingen geen eigen intellectuele schepping

Hof Amsterdam 31 maart 2020, IEF 19356; ECLI:NL:GHAMS:2020:1255 (Appellant tegen Team 10 e.a.) Auteursrecht. Databankenwet. Appellant heeft voor een lange periode als eenmanszaak onder de naam Team 10 hardlooptrainingen verzorgd. Van belang met betrekking tot het auteursrecht en het databankenrecht is dat appellant verschillende methoden had ontwikkeld voor hardlooptrainingen. Volgens appellant rust er auteursrechtelijke bescherming op deze ontwikkelde methode en op het klantenbestand als databank. Het hof ontkracht deze stellingen. Volgens het hof gaat het niet om een eigen intellectuele schepping die tot stand is gekomen door het maken van creatieve keuzes waaruit het persoonlijk stempel van appellant naar voren komt. Ook valt het klantenbestand niet onder de bescherming van de Auteurswet en de Databankenwet. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

3.24. Het hof overweegt dat [appellant] in deze procedure niet heeft onderbouwd waarom zijn methode auteursrechtelijk beschermd zou zijn. Voor het aannemen van een auteursrecht moet sprake zijn van een werk dat een eigen intellectuele schepping van de maker is, die tot stand komt door de vrije creatieve keuzes die hij daarbij maakt en daarmee de uitdrukking vormt van zijn persoonlijkheid (HvJ EU 1 december 2011, ECLI:EU:C:2011:798 (Painer). De enkele stelling dat de methode uniek is en dat die is ontwikkeld na bestudering van binnenlandse en buitenlandse literatuur is onvoldoende om de conclusie op te baseren dat het hier gaat om een eigen intellectuele schepping in de zojuist bedoelde zin. Van [appellant] had verlangd mogen worden dat hij nader zou onderbouwen in hoeverre het maken van zijn methode creatieve keuzes heeft gevergd en waaruit zijn persoonlijke stempel blijkt. Nu hij dat heeft nagelaten heeft hij zijn stelling onvoldoende onderbouwd. Dit brengt tevens mee dat het bewijsaanbod van [appellant] zal worden gepasseerd, omdat hij geen concrete en ter zake dienende feiten te bewijzen heeft aangeboden.

3.25. Het zelfde geldt voor zijn stellingen ten aanzien van het klantenbestand. [appellant] heeft daarover niet anders gesteld dat dan dit een verzameling persoonsgegevens betreft, met informatie over het niveau van de hardlopers. Deze stelling kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de daarbij te hanteren maatstaf, niet de conclusie dragen dat het bestand auteursrechtelijke bescherming geniet als databank in de zin van artikel 10.3 Auteurswet.

Zijn stelling dat in het klantenbestand substantieel is geïnvesteerd betrekt [appellant] uitsluitend op de inspanningen die (naar het hof begrijpt: door hem) zijn verricht om de klanten te verwerven, van wie de gegevens vervolgens in de databank zijn opgenomen. Hij beoogt daarmee kennelijk (subsidiair) bescherming voor het klantenbestand als databank in de zin van artikel 2 van de Databankenwet. Ook dat beroep op bescherming moet worden verworpen. Voor de bedoelde bescherming is immers vereist dat de substantiële investering ziet op middelen die worden aangewend om bestaande elementen bijeen te brengen, met uitsluiting van de middelen die worden aangewend voor het creëren van die elementen (HvJ EG

9 november 2004, ECLI:EU:C:2004:695 (BHB/William Hill). Het besteden van geld aan marketing ten behoeve van klantenwerving kan niet worden gekwalificeerd als een uitgave die wordt gedaan voor het maken van een databank (uit bestaande gegevens), maar moet worden aangemerkt als het ‘genereren van feiten’, die vervolgens (zonder veel kosten) in het klantenbestand worden gezet. Om die reden kunnen de door [appellant] genoemde middelen, die zijn aangewend om personen die nog geen klant waren tot klant te maken, niet worden beschouwd als een relevante investering. De grief faalt.