IEF 19422

Octrooi elektronische kaartlezer niet inventief

Hof Den Haag 23 juni 2020, IEF 19422; ECLI:NL:GHDHA:2020:1622 (CDVI tegen Impro) Octrooirecht. Zie eerder [IEF 18113]. CDVI meent dat Impro inbreuk maakt op conclusie 1 van haar octrooi, EP 1 245 006 B1, voor een elektronische kaartlezer. In eerste aanleg heeft de rechtbank geoordeeld dat het octrooi van CDVI vernietigbaar is, omdat het niet inventief is. De vorderingen van CDVI werden afgewezen. CDVI vordert in hoger beroep dat vernietiging van het vonnis van de rechtbank en dat de vorderingen van CDVI alsnog worden toegewezen. Conclusie 1 ontbeert inventiviteit op grond van de bekende leesrichting in combinatie met de algemene vakkennis van de gemiddelde vakman. Het door CDVI voorgestelde hulpverzoek kan haar niet baten, omdat die maatregel ook niet inventief is. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd.

4.4.12. Uit voorgaande overwegingen volgt dat met Impro moet worden geoordeeld dat de gemiddelde vakman uitgaande van figuur 1 van EP 006 op basis van zijn algemene vakkennis tot de oplossing volgens conclusie 1 van EP 006 zou komen. CDVI heeft ook niet, althans niet steekhoudend, toegelicht hoe haar betwisting van die stelling te verenigen is met haar eigen stelling dat de algemene vakkennis van de gemiddelde vakman hem tot de door CDVI aanvaarde uitleg van conclusie 1 zou brengen, namelijk dat de sleuf vanaf de rand ten minste tot aan de spoel moet lopen omdat het voor het te bereiken technische effect nodig is om de Eddy currents te doorbreken. Dat de gemiddelde vakman reeds op grond van zijn algemene vakkennis onderkent dat het voor het doorbreken van de Eddy currents nodig is dat de sleuf vanaf de rand van de behuizing ten minste tot aan de spoel doorloopt, zoals in het kader van de uitleg van EP 006 door CDVI is betoogd, houdt immers in dat de gemiddelde vakman op grond van zijn algemene vakkennis niet alleen weet dat wervelstromen optreden, maar ook hoe de wervelstromen lopen en hoe hij die kan beïnvloeden. Ware dat anders dan valt niet in te zien – en CDVI heeft niet toegelicht – op basis waarvan de gemiddelde vakman dan conclusie 1 van EP 006 zo zou begrijpen dat de sleuf vanaf de rand ten minste tot aan de spoel dient te lopen teneinde het benodigde technische effect te bereiken. Het octrooischrift beschrijft die kennis namelijk niet.

4.4.13. Daarmee komt het hof tot de slotsom dat conclusie 1 inventiviteit ontbeert op grond van de bekende leesinrichting zoals weergegeven in figuur 1 van EP 006 in combinatie met de algemene vakkennis van de gemiddelde vakman. Gelet op de uitleg van conclusie 1 dat de sleuf ten minste tot aan de spoel moet lopen, maar dat een sleuf die de spoel doorkruist ook onder de beschermingsomvang valt, kan in de additionele maatregel van conclusie 3 geen inventieve maatregel worden onderkend. De inventiviteit van conclusie 2 is niet afzonderlijk verdedigd (net zo min als van conclusie 3), zodat deze het lot van conclusie 1 moet delen.