Annotatie geschreven door P.B. Hugenholtz.
NJ-noot onder HvJEU Pelham 2 (pastiche)
[verschenen in Nederlandse Jurisprudentie 2026/188].
Noot
In deze noot bespreekt P.B. Hugenholtz het arrest Pelham II [IEF 23472], waarin het HvJEU voor het eerst uitleg geeft aan het begrip ‘pastiche’ in art. 5 lid 3 onder k InfoSoc-richtlijn. Het Hof oordeelt dat de pastichebeperking geen algemene vangnetclausule voor artistiek hergebruik vormt. Een pastiche moet een bestaand werk oproepen, daarvan merkbaar verschillen en daarmee een als zodanig herkenbare artistieke of creatieve dialoog aangaan.
Hugenholtz bespreekt de betekenis van deze uitleg voor onder meer sampling, memes en appropriation art. Ook gaat hij in op de grondrechtelijke basis van de pastichebeperking en de ruime uitleg die volgens het Hof moet worden gegeven aan beperkingen die de uitings- en kunstvrijheid waarborgen.
Met het tweede Pelham-arrest wekt het HvJEU de pastiche-beperking tot leven. Volgens het Hof biedt deze beperking weliswaar geen ruimte voor alle mogelijke vormen van creatief hergebruik, maar wel voor creaties die bestaande werken oproepen om daarmee een artistieke of creatieve ‘dialoog’ aan te gaan, met name in de vorm van een stijlimitatie, een hommage of een humoristische of kritische ‘confrontatie’.
Uit het arrest blijkt niet of de pastiche zelf een oorspronkelijk werk moet zijn om voor de beperking te kwalificeren. Dit is een belangrijke vraag, vooral met het oog op de opmars van AI, die creatief (her)gebruik van werken vergaand faciliteert. Weliswaar spreekt het Hof op verschillende plaatsen van een (nieuwe) ‘creatie’, maar omdat de Pelham-zaak niet handelt over auteursrechtelijke beschermde werken, maar om nabuurrechtelijk beschermde geluidsopnames, mag aan deze terminologie m.i. geen beslissende betekenis worden gegeven. Merk op dat het Hof in het Deckmyn-arrest ten aanzien van parodieën juist geen eis van originaliteit (creativiteit) heeft gesteld.
Met dat al laat het arrest veel vrijheid aan allerlei uitingen waarvan de geoorloofdheid tot voor kort twijfelachtig was. Denk in de eerste plaats aan ‘memes’, via de sociale media verspreide beeldgrappen waarbij vaak gebruik wordt gemaakt van bekende cartoonfiguren. Door de aangescherpte auteursrechtelijke aansprakelijkheidsregels voor platforms in art. 17 van Richtlijn 2019/790 (de ‘DSM-richtlijn’; omgezet in art. 29c Auteurswet) dreigde aan de vrije uitwisseling van memes een einde te komen, maar het Pelham 2-arrest lijkt dat gevaar te hebben bezworen. De pastiche-beperking biedt ook ruimte aan allerlei vormen van appropriation art (ontleningskunst), zolang deze maar merkbare verschillen vertoont met het origineel en er duidelijk sprake is van een ‘artistieke dialoog’. Voor plagiaat (het als eigen werk presenteren van andermans creatie) is in het auteursrecht echter nog steeds geen plaats.