IEF 20278

HvJ EU: Ferrari tegen Mansory Design

HvJ EU 28 oktober 2021, IEF 20278, IEFbe 3307; ECLI:EU:C:2021:889 (Ferrari tegen Mansory Design) Het Duitse Bundesgerichtshof waarbij Ferrari beroep in Revision heeft ingesteld, heeft het Hof verzocht te verduidelijken of de beschikbaarstelling voor het publiek van afbeeldingen van een voortbrengsel, zoals de publicatie van foto’s van een voertuig, de beschikbaarstelling voor het publiek van een model van een deel of onderdeel van dat voortbrengsel met zich mee kan brengen, en, zo ja, in hoeverre de verschijningsvorm van dat deel of onderdeel zelfstandig moet zijn ten opzichte van het voortbrengsel in zijn geheel, teneinde te kunnen onderzoeken of deze verschijningsvorm een eigen karakter heeft [IEF 19172].
In zijn prejudiciële beslissing oordeelt het Hof met name dat het Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat de beschikbaarstelling voor het publiek van afbeeldingen van een voortbrengsel, zoals de publicatie van foto’s van een voertuig, met zich meebrengt dat een model van een deel van dat voortbrengsel of van een onderdeel van dat voortbrengsel als samengesteld voortbrengsel voor het publiek beschikbaar wordt gesteld, op voorwaarde dat bij die beschikbaarstelling de verschijningsvorm van dat deel of onderdeel duidelijk herkenbaar is. Zie ook de officiële samenvatting van deze uitspraak en de conclusie van de A-G [IEF 20129].

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende het gemeenschapsmodel moet aldus worden uitgelegd dat wanneer afbeeldingen van een voortbrenging voor het publiek beschikbaar worden gesteld, zoals bij de publicatie van foto's van een voertuig, tot gevolg heeft dat een model in een deel van dat voortbrengswerk in de zin van artikel 3, onder a), van die verordening of in een onderdeel van dat voortbrengingsmiddel voorkomt als een samengesteld voortbrengkundig voortbrengeel in de zin van artikel 3, onder a), van die verordening. 3, onder a.c en artikel 4, lid 2, van die verordening, mits de verschijningsvorm van dat onderdeel of onderdeel duidelijk herkenbaar is in die openbaarmaking.

Om te kunnen onderzoeken of deze verschijningsvorm voldoet aan de voorwaarde van het individuele karakter in de zin van artikel 6, lid 1, van deze verordening, is het noodzakelijk dat het betrokken onderdeel of onderdeel een zichtbaar deel van het voortbrengselen of samengesteld voortbrengselen vormt dat duidelijk wordt afgebakend door lijnen, contouren, kleuren, vorm of een bepaalde oppervlaktestructuur.