IEF 19472

Hof gelast comparitie in ABMD tegen Buma/Stemra

Hof Amsterdam 15 september 2020, IEF 19472; ECLI:NL:GHAMS:2020:2583 (ABMD c.s. tegen Buma/Stemra) Tussenarrest. Mededingingsrecht. ABMD betaalt per afnemer van achtergrondmuziek voor zakelijk gebruik een licentievergoeding volgens het Buma/Stemra bepaalde tarief. Streamingsdiensten zoals Spotify bieden abonnementen aan die alleen een licentie geven voor persoonlijk gebruik, maar die feitelijk regelmatig gebruikt worden in bedrijfsruimten. Deze abonnementen zijn veel goedkoper dan de producten van de ABMD-leden. Buma/Stemra brengt de ABMD-leden een hogere vergoeding voor het distribueren van muziek in rekening, dan de vergoeding die zij in rekening brengt aan streamingsdiensten voor consumenten, die worden gebruikt voor het afspelen van muziek in bedrijfsruimten, [IEF 18202]. Hebben Buma, Stemra en Sabam een gezamenlijke machtspositie? Verzwaarde motiveringsplicht verweer Buma/Stemra. Er wordt een comparitie van partijen bepaald. Inbrengen van gegevens omtrent gehanteerde licentievoorwaarden, marktpositie, onderlinge samenwerking en handhavingspraktijk.

3.1
Het gaat in dit geding primair om de vraag of Buma/Stemra jegens de ABMD-leden onrechtmatig handelt door misbruik te maken van een machtspositie. Dat misbruik is er volgens de ABMD-leden in gelegen dat Buma/Stemra niet handhavend optreedt tegen zakelijk gebruik door abonnees van het muziekaanbod van streamingdiensten voor het afspelen van muziek in publiek toegankelijke ruimten en/of dat zij voor licentiëring van haar muziekaanbod van de ABMD-leden een hogere vergoeding verlangt dan van de streamingdiensten. Wanneer van zulk misbruik geen sprake is, vragen ABMD c.s. nog een oordeel over hun stelling dat de wijze van distributie van muziek door de ABMD-leden geen auteursrechtelijke openbaarmaking of mededeling aan het publiek inhoudt en zij daarom voor deze wijze van distributie niet gehouden zijn enige vergoeding te betalen.

3.2.5
Het hof is van oordeel dat van Buma/Stemra in het kader van de gehoudenheid tot onderbouwing van haar verweer kan worden verwacht dat zij feitelijke gegevens als hiervoor bedoeld onder 3.2.4 aan ABMD c.s. verstrekt, om hun aanknopingspunten te bieden voor hun eventuele bewijslevering. Tot dusver heeft Buma/Stemra daarover onvoldoende informatie verstrekt. Teneinde met partijen van gedachten te wisselen over de betekenis hiervan voor (het vervolg van) de onderhavige procedure en de wijze waarop aan die gehoudenheid van Buma/Stemra uitvoering zal worden gegeven, zal het hof een comparitie van partijen bepalen. Het hof verwijst naar hetgeen daaromtrent hierna onder 3.6 nader wordt overwogen.

3.5
Met betrekking tot de voorwaardelijke eis van ABMD c.s. tot verklaring voor recht dat de werkwijze van de ABMD-leden, kort gezegd, geen openbaarmaking inhoudt (zie hiervoor onder 3.1.6, onderdeel III), overweegt het hof reeds als volgt.

Buma/Stemra heeft er terecht op gewezen dat de werkwijze van de ABMD-leden in ieder geval inhoudt dat zij de muziekwerken (ook) verveelvoudigen, hetgeen ABMD c.s. niet hebben betwist. Een eventueel oordeel van dit hof, inhoudend dat die werkwijze geen openbaarmaking inhoudt, betekent dus nog niet dat de ABMD-leden met betrekking tot de betrokken muziekwerken in het geheel geen auteursrechtelijk voorbehouden handelingen verrichten en dat er daarom geen grond zou zijn voor het aan Buma/Stemra of Sabam betalen van een licentievergoeding. Gelet hierop dienen ABMD c.s. ter comparitie nader toe te lichten welk belang zij bij toewijzing van deze vordering hebben indien de daaraan verbonden voorwaarde zou worden vervuld.