IEF 18202

Ongelijke auteursrechtelijke tarieven Buma/Stemra voor afspelen muziek zelfde diensten onrechtmatig

Rechtbank Amsterdam 12 december 2018, IEF 18202; ECLI:NL:RBAMS:2018:8995 (ABMD c.s. tegen Buma/Stemra) Auteursrecht. ABMD betaalt per afnemer van achtergrondmuziek voor zakelijk gebruik een licentievergoeding volgens het Buma/Stemra bepaalde tarief. Streamingsdiensten zoals Spotify bieden abonnementen aan die alleen een licentie geven voor persoonlijk gebruik, maar die feitelijk regelmatig gebruikt worden in bedrijfsruimten. Deze abonnementen zijn veel goedkoper dan de producten van de ABMD-leden. Buma/Stemra handelt onrechtmatig jegens de ABMD-leden door hen een hogere vergoeding voor het distribueren van muziek in rekening te brengen, dan de vergoeding die zij in rekening brengt aan streamingsdiensten voor consumenten, die worden gebruikt voor het afspelen van muziek in bedrijfsruimten. Van belang is de monopoliepositie van Buma/Stemra en het feit dat zij niet wenst op te treden tegen oneigenlijk gebruik van de consumentenabonnementen voor het afspelen van muziek waarvoor Buma/Stemra licentierechten heeft in bedrijfsruimten. Vorderingen gedeeltelijk toegewezen.

4.11. Uitgangspunt is dat van Buma/Stemra als collectieve rechtenorganisatie die als monopolist in Nederland de tarieven voor het gebruik van de bij haar in beheer zijnde rechten kan vaststellen, verwacht mag worden dat vergelijkbare gevallen gelijk behandeld worden.

4.12. De gevallen zijn vanuit het oogpunt van het gebruik van auteursrechtelijke beschermde werken vergelijkbaar, nu niet is betwist dat zowel streamingdiensten die zakelijk worden gebruikt als de producten van de ABMD-leden het ter beschikking stellen van muziek (mede) inhouden, waaronder in beide gevallen muziek waarvan Buma/Stemra de rechten beheert en dat beide feitelijk dienen voor zakelijk gebruik. Anderzijds zijn er de al eerder genoemde twee verschillen, te weten
-dat er wel een licentie voor zakelijk gebruik aan de ABMD-leden wordt verstrekt, die hen in staat stelt muziek aan hun afnemers te leveren waarvoor de rechten zijn afgedragen, terwijl de zakelijke gebruikers van streamingdiensten een licentie voor privégebruik hebben en dus geen licentie voor zakelijk gebruik;
-dat het product dat de ABMD-leden leveren niet alleen het ter beschikking stellen van muziek inhoudt, maar ook het leveren van apparatuur en bijkomende diensten.
Verder zal hier moeten worden meegewogen dat Buma/Stemra niet optreedt tegen zakelijk gebruik van streamingdiensten.

4.13. Vast staat dat gebruikers van achtergrondmuziek via streamingdiensten een privélicentie hebben waarvoor € 0,99 per maand wordt afgedragen, dus op jaarbasis € 11,88, terwijl de ABMD-leden voor elke afnemer een licentievergoeding van minimaal € 16,23 en maximaal € 81,49 per jaar afdragen.

4.14. Buma/Stemra heeft als verweer gevoerd dat zij bereid is de ABMD-leden hetzelfde te behandelen als de streamingdiensten en de door ABMD-leden verschuldigde auteursrechten op 10% van de omzet van de ABMD-leden vast te stellen. Impliciet erkent Buma/Stemra daarmee dat gelijke behandeling geboden is. Nu het uitgangspunt hierbij de omzet is en zoals hierboven besproken de producten van de ABMD-leden en de streamingdiensten, en dus ook de prijzen, sterk van elkaar verschillen is het aanbod van Buma/Stemra om op basis van omzet rechten te heffen geen aanbod dat de gesignaleerde ongelijkheid kan wegnemen. In wezen gaat het zowel bij het feitelijk gedoogde zakelijk gebruik van streamingdiensten als bij de ter beschikking stelling van muziek aan hun afnemers door de ABMD-leden om hetzelfde, namelijk dat de rechten van de rechthebbenden op de in de zakelijke sfeer ten gehore gebrachte muziek worden afgedragen. Dat betekent dat alleen als daarvoor hetzelfde tarief geldt de feitelijke ongelijkheid die nu bestaat wordt opgeheven. Een rechtvaardiging voor die ongelijkheid is niet gegeven. Daar komt bij de hierboven besproken weigering van Buma/Stemra om haar recht te handhaven.

4.15. Dit moet er toe leiden dat het Buma/Stemra niet vrij staat aan de leden van ABMD een ander tarief in rekening te brengen dan het tarief dat door streamingdiensten wordt afgedragen voor het door Buma/Stemra gedoogd zakelijk gebruik van privélicenties van streamingdiensten, thans € 0,99 per maand per abonnee (of per afspeelpunt).

4.16. Onder I is onder meer gevorderd te verklaren voor recht dat Buma en Stemra sinds 18 mei 2010 onrechtmatig handelen jegens ABMD-leden door bij de ABMD-leden een vergoeding in rekening te (doen) brengen, terwijl zij deze vergoeding niet in rekening brengt of doet brengen aan online muziekdiensten voor consumenten die op dezelfde relevante markt actief zijn (het eerste deel van het onder I gevorderde). De rechtbank begrijpt deze vordering in het licht van het in dit geding gevoerde debat zo dat het er om gaat dat Buma en Stemra onrechtmatig handelen jegens ABMB-leden door bij de ABMD-leden een andere vergoeding in rekening te (doen) brengen, dan de vergoeding die zij in rekening brengt of doet brengen aan online muziekdiensten voor consumenten die op dezelfde relevante markt actief zijn. Zo opgevat is de gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar.