IEF 16241

Geschil om naburige rechten van fonogrammenproducent

muzieknoot

Rechtbank Den Haag 7 september 2016, IEF 16241; ECLI:NL:RBDHA:2016:10697 (Tee Set) Naburige rechten. Auteursrecht. Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil wie de oorspronkelijk rechthebbende was of rechthebbenden waren op de (naburige) rechten van de fonogrammenproducent van opnamen van de band vanaf begin 1969 totdat verschillende bandleden de band in 1970 verlieten. De rechtbank oordeelt dat de overeenkomst niet ontbonden is op grond van wanprestatie. Het enkele gegeven dat bandlid 1 tekort zou zijn geschoten in de nakoming van verplichtingen uit die overeenkomst, zoals gedaagde stelt, leidt nog niet tot het rechtsgevolg dat de overeenkomst is ontbonden. Ook het betoog dat levering van de rechten niet heeft plaatsgevonden omdat bandlid 1 de geluidsbanden niet in zijn bezit had, faalt. Met betrekking tot het auteursrecht twisten partijen over de vraag of bandlid 1 alle composities en teksten van de ‘Tee Set’ nummers heeft geschreven of niet. Omdat nadere onderbouwing op dit punt is uitgebleven kan niet vastgesteld worden dat bandlid 1 maker is van de composities en teksten.

6.2. Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil wie de oorspronkelijk rechthebbende was of rechthebbenden waren op de (naburige) rechten van de fonogrammenproducent van opnamen van de band vanaf begin 1969 totdat [gedaagde 1] , [bandlid3] , [bandlid2] en [bandlid4] de band in 1970 verlieten. Dat [de manager] de fonogrammenproducent was van opnamen voor 1969 en na het vertrek van genoemde bandleden in 1970, is niet gemotiveerd door [gedaagde 1] bestreden.

6.6. Dat brengt de rechtbank bij de vraag of [eiser] aangemerkt kan worden als rechtverkrijgende van [de manager] en/of [bandlid1] in de zin van artikel 236 lid 2 Rv. Die rechtsverkrijging heeft, zo begrijpt de rechtbank de stellingen van [eiser] , plaatsgevonden middels de overeenkomst van 12 juni 2002 en de in 2.9 beschreven latere overeenkomsten. Anders dan [gedaagden ] betogen, is die overeenkomst niet ontbonden op grond van wanprestatie. Het enkele gegeven dat [eiser] of [bandlid1] tekort zou zijn geschoten in de nakoming van verplichtingen uit die overeenkomst, zoals [gedaagde 1] stelt, leidt nog niet tot het rechtsgevolg dat de overeenkomst is ontbonden. Ook het betoog dat levering van de rechten niet heeft plaatsgevonden omdat [bandlid1] de geluidsbanden niet in zijn bezit had, faalt. Voor levering van naburige rechten volstaat op grond van artikel 3:95 Burgerlijk Wetboek (BW) een akte. Aan die eis is voldaan met de overeenkomst van 12 juni 2002.

6.7. [gedaagde 1] heeft niet bestreden dat [eiser] de rechten die aan Double Dutch zijn overgedragen vervolgens rechtsgeldig overgedragen heeft gekregen middels de keten van overeenkomsten beschreven in 2.9.

6.10. Uit het voorgaande volgt dat het uitgangspunt voor de rechtbank is dat [bandlid1] op 12 juni 2002 gerechtigd was tot de rechten van de fonogrammenproducent op de opnamen van het Tee Set oeuvre. Uit hetgeen is overwogen in 6.6 en 6.7 volgt dat de verweren van [gedaagde 1] tegen de stelling van [eiser] dat de rechten rechtsgeldig aan Double Dutch zijn geleverd en dat hij die rechten vervolgens van Double Dutch heeft verkregen, ook falen. De gevorderde verklaring voor recht is dan ook toewijsbaar voor zover die betrekking heeft op de naburige rechten van de fonogrammenproducent.

6.11. Ten aanzien van de auteurs(exploitatie-)rechten op het Tee Set oeuvre, heeft het vonnis uit 1998 geen gezag van gewijsde. Uit de in 2.5 geciteerde vorderingen, grondslagen en overwegingen blijkt dat in die procedure de aanspraken zijn beoordeeld die de toenmalige eisers stelden te hebben als producent van de banden met geluidsopnamen. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien dat de rechtbank bij haar oordeel over die aanspraken in het vonnis uit 1998 tevens een beslissing heeft gegeven over de auteursrechtelijke aanspraken van de partijen in die zaak.

6.12. Partijen twisten over de vraag of [bandlid1] alle composities en teksten van de Tee Set nummers heeft geschreven of niet. [gedaagde 1] heeft dat gemotiveerd betwist, onder andere met de stelling dat het nummer “Ma belle amie” is geschreven door [bandlid4] en dat [bandlid4] meer muziek uit het Tee Set oeuvre heeft gecomponeerd. Onder deze omstandigheden had het op de weg gelegen van [eiser] om, bijvoorbeeld door het overleggen van LP’s met credits, zijn stelling dat [bandlid1] de maker is geweest van het gehele Tee Set oeuvre nader te onderbouwen. Hij heeft dit nagelaten, zodat niet vastgesteld kan worden dat [bandlid1] de maker is van alle composities en teksten uit het Tee Set oeuvre. Ook is niet gesteld of gebleken dat [bandlid1] op enig moment auteursrechten van alle maker(s) van het Tee Set oeuvre overgedragen heeft gekregen. Om die reden kan ook niet vastgesteld worden dat [eiser] door middel van overdracht auteursrechten op het gehele Tee Set oeuvre heeft verkregen. Tot slot heeft [eiser] ook niet van specifieke nummers een dergelijke onderbouwing gegeven. [eiser] heeft ter zitting nog aangeboden schriftelijk bewijs te leveren door middel van het overleggen van lijsten van BUMA STEMRA, waaruit blijkt dat [bandlid1] als auteur is geregistreerd bij BUMA STEMRA. De rechtbank passeert dat aanbod, omdat het op de weg van [eiser] had gelegen om die documenten al eerder in het geding te brengen, nu [gedaagde 1] de gerechtigdheid van [eiser] op de auteursrechten bij conclusie van antwoord had betwist. Ten aanzien van de auteursrechten kan de gevraagde verklaring voor recht derhalve niet worden toegewezen.