1 jul 2026,
Geen aanspraak op overdracht octrooi voor rotatiegietmachine
Rb. Den Haag 1 juli 2026, IEF 23699; ECLI:NL:RBDHA:2026:18188 (Dutchfiets c.s. tegen [gedaagden] c.s.). Dutchfiets ontwikkelt en produceert circulaire kunststof fietsen. In 2023 verkreeg Igus 80% van de aandelen in Dutchfiets. In een afzonderlijke IP-overeenkomst maakten Igus, Dutchfiets, de oprichters van Dutchfiets en hun holdingvennootschappen afspraken over de verdeling van de intellectuele-eigendomsrechten binnen hun samenwerking. Enkele maanden later vroeg een van de holdingvennootschappen een Nederlands octrooi aan voor een rotatiegietmachine en een methode voor het gieten van objecten. Dit octrooi werd in 2025 verleend. Na het einde van de samenwerking vorderden Dutchfiets en Igus onder meer kosteloze overdracht van het octrooi, afgifte van prototypes van de rotatiegietmachine en afgifte van gegevens over de ontwikkeling, productie en exploitatie daarvan. Zij stelden dat Dutchfiets de oorspronkelijke machine had ontwikkeld en dat de latere machine daarop een doorontwikkeling vormde. Ook zouden de daarop rustende IE-rechten op grond van de IP-overeenkomst aan Dutchfiets of Igus zijn overgedragen. Voor de opeising van het octrooi beriepen zij zich subsidiair op artikel 78 ROW, in samenhang met de artikelen 11 en 12 ROW. De prototypes werden mede opgeëist op grond van artikel 5:2 BW en artikel 70 lid 7 ROW.
De rechtbank wijst alle vorderingen af. Op grond van artikel 150 Rv rustten de stelplicht en bewijslast op Dutchfiets en Igus. Zij hadden tegenover de gemotiveerde betwisting van de gedaagden onvoldoende onderbouwd dat Dutchfiets de rotatiegietmachine had ontwikkeld. Daardoor stond niet vast dat Dutchfiets eigenaar van de machine of rechthebbende op de daarmee verband houdende IE-rechten was. Ook de volgens de Haviltex-maatstaf uitgelegde IP-overeenkomst bracht geen overdracht mee. De categorie “DF/BAAS-IP” zag alleen op rechten die vóór de start van het samenwerkingsproject in juni 2020 bestonden, terwijl niet in geschil was dat vóór dat moment nog geen rotatiegietmachine was ontwikkeld. De categorieën “MPB-IP” en “Bicycle-IP” betroffen uitsluitend specifiek omschreven fietsonderdelen en niet de machines waarmee die onderdelen worden vervaardigd. Artikel 2.5 verplichtte partijen slechts om over overige IE-rechten een afzonderlijke regeling te treffen; een dergelijke regeling was niet gesloten en nakoming daarvan was niet gevorderd. Ook artikel 78 ROW bood geen grond voor opeising van het octrooi, omdat ontlening als bedoeld in artikel 11 ROW en een uitvinding in dienstverband als bedoeld in artikel 12 ROW niet waren komen vast te staan. Omdat Dutchfiets en Igus geen eigendoms- of IE-rechten op de rotatiegietmachine konden aantonen, werden ook de revindicatie- en gegevensvorderingen afgewezen. Voor de gegevensvordering ontbrak bovendien een rechtsbetrekking in de zin van artikel 194 in verbinding met artikel 195 Rv. Dutchfiets en Igus werden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van € 3.515.
4.11.
De rechtbank gaat er dus vanuit dat partijen bedoeld hebben om in artikel 2.4 van de Overeenkomst te regelen dat de IE-rechten die bestonden voor juni 2020 eigendom zijn van Dutchfiets. Tussen partijen is onbetwist dat [de broers] niet voor juni 2020 een (prototype van) een rotatiegietmachine hebben ontwikkeld. Hierdoor geldt dat, voor zover de ontwikkeling van de rotatiegietmachine door [gedaagde sub 1] is geschied, de IE-rechten daarop niet op grond van artikel 2.4 van de Overeenkomst eigendom zijn geworden van Dutchfiets.
4.12.
Ten aanzien van de stelling van Dutchfiets c.s. dat de IE-rechten op de rotatiegietmachine vallen onder de definitie van “MPB-IP” oordeelt de rechtbank als volgt. Artikel 2.1, eerste zin, van de Overeenkomst bepaalt dat Igus de eigenaar is van de IE-rechten die behoren tot deze definitie en artikel 2.2 bepaalt dat iedere partij het nodige doet om te komen tot een overdracht van die rechten. De letterlijke tekst van deze definitie luidt, voor zover relevant, als volgt: “any Intellectual Property Rights conceived or developed jointly by the Parties or solely by DF and/or Mr. [gedaagde sub 2] and/or [gedaagde sub 4] and/or the Holding-Companies in connection with the MPB-Project relating to bicycle components for relative motion in propulsion or braking, such as wheel bearings, pedal crank bearings, steering head bearings and brake parts.” Naar het oordeel van de rechtbank vallen hieronder niet de IE-rechten met betrekking tot rotatiegietmachines, zodat Igus daarvan geen eigenaar is geworden op grond van artikel 2.1 van de Overeenkomst. De definitie van “MPB-IP” heeft immers enkel betrekking op IE-rechten ten aanzien van specifieke fietsonderdelen. Dit blijkt uit de verwijzing in de definitie naar het MPB-Project (volgens die definitie: de gezamenlijk ontwikkeling van het prototype van een fiets volgens de specificaties van Annex I) en de in de “MPB-IP”-definitie genoemde specifieke fietsonderdelen, te weten fietsonderdelen die zorgen voor relatieve beweging bij het aandrijven of remmen, zoals wiellagers, pedalenkruklager, stuurkoplagers en remonderdelen.
4.13.
Hetzelfde geldt voor de stelling van Dutchfiets c.s. dat de IE-rechten op de rotatiegietmachine vallen onder de definitie van “Bicycle-IP”, waarvan artikel 2.1, tweede zin, van de Overeenkomst bepaalt dat de tot die definitie behorende IE-rechten toebehoren aan Dutchfiets. Ook deze definitie heeft immers enkel betrekking op IE-rechten op de in dat artikel genoemde fietsonderdelen, te weten de constructieonderdelen van een fiets, namelijk het frame, wiel, vork, stuur en zadel. Artikel 2.1, tweede zin, heeft dus geen overdracht van IE-rechten op de rotatiegietmachines aan Dutchfiets tot gevolg gehad.
4.14.
Het voorgaande wordt niet anders door de verwijzingen van Dutchfiets c.s. naar de considerans en de bijlage (Annex I) van de Overeenkomst, waaruit blijkt dat het doel van de Overeenkomst is om IE-rechten aan Igus en Dutchfiets te doen toekomen “to allow IGUS to produce and sell the plastic motion parts” (considerans, zie 2.10 hiervoor) en om een fiets “in-house” te bouwen en te produceren (Annex I, zie 2.11.hiervoor). Anders dan Dutchfiets c.s. hebben betoogd, kan de rechtbank uit dergelijke bewoordingen niet afleiden dat partijen bedoeld hebben om de definities van “MPB-IP” en “Bicycle-IP” zodanig op te rekken althans uit te breiden dat ook de IE-rechten op machines waarmee de fiets(onderdelen) worden gemaakt hieronder vallen. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang. Ten eerste omschrijven voornoemde definities heel specifiek de fietsonderdelen waarop ze betrekking hebben. Het Engelse woord voor rotatiegietmachine (‘rotational moulding machine’) komt daarin niet voor. Ook overigens is in de Overeenkomst en bijlage niet verwezen naar een rotatiegietmachine althans een machine waarmee fietsonderdelen worden gemaakt. Ten tweede valt voor de rechtbank niet in te zien dat een verwijzing in de Overeenkomst naar de (in-house) productie van een fiets/fietsonderdelen automatisch ook betekent de productie van machines waarmee die fiets(onderdelen) worden gemaakt. Tussen partijen is immers onbetwist dat rotatiegietmachines ten tijde van het sluiten van de Overeenkomst al bestonden, zodat de (in-house) productie van een fiets/fietsonderdelen ook kon worden bewerkstelligd zonder de productie van een dergelijk soort machine.
4.15.
De conclusie uit het voorgaande is dat de IE-rechten op de rotatiegietmachines niet vallen onder de definities van “DF/BAAS-IP”, “MPB-IP” en “Bicycle-IP”. Dutchfiets en Igus hebben dus geen IE-rechten op de rotatiegietmachine verkregen door een overdracht van die rechten op grond van de artikelen 2.1 en 2.4 van de Overeenkomst.
4.16.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat de IE-rechten op de rotatiegietmachine wel kunnen worden begrepen onder het bepaalde in artikel 2.5 van de Overeenkomst, het artikel dat voorziet in een regeling voor IE-rechten die niet vallen onder de definities “DF/BAAS-IP”, “MPB-IP” en “Bicycle-IP”. In dat artikel is bepaald dat partijen een afzonderlijke regeling zullen treffen met betrekking tot het eigendom en de gebruiksmogelijkheden van die rechten, rekening houdend met hun respectievelijke creatieve bijdragen daarin. Tussen partijen is onbetwist dat zij geen afzonderlijke regeling hebben getroffen over de IE-rechten op de rotatiegietmachine in de zin van dit artikel. Het artikel kan geen grondslag vormen voor toewijzing van de in deze procedure ingestelde vorderingen van Dutchfiets c.s., zoals de vorderingen tot overdracht van het Octrooi en afgifte van de prototypes van de rotatiegietmachine. Uit het artikel volgt immers slechts een verplichting voor partijen om een nadere regeling te treffen. Dutchfiets c.s. heeft in deze procedure geen vordering ingesteld die strekt tot nakoming van deze verplichting.