IEF 18185

Conclusie AG: verwerping cassatieberoep, geen aantasting persoonlijkheidsrechten architect kantoorpand

Conclusie AG 11 januari 2019, IEF 18185 (Architect D tegen De 4 Jaargetijden) Persoonlijkheidsrechten architect. Hof besloot [IEF 17232] dat het kantoorpand, waar D de architect van is, verbouwd mag worden omdat zijn persoonlijkheidsrechten à art. 25 lid 1 sub c en d Aw niet aangetast worden. Door uitgebreid stil te staan bij de wetsgeschiedenis van art. 25 lid 1 sub c en d Aw, concludeert de AG tot verwerping cassatieberoep.

2.36 Ik vat samen.
- De Berner Conventie dwingt niet tot het onderscheid wijzigen "sub c" en aantasten "sub d" en het is in de Nederlandse wetsgeschiedenis ontoereikend en onbevredigend onderbouwd (zie 2.13, 2.14 en 2.16).
- Volstaan had beter kunnen worden met een enkele bepaling met een verzetsrecht tegen elke misvorming, verminking of andere wijziging van het werk, of tegen elke andere aantasting daarvan, alles voor zover dit de maker reputatieschade toebrengt (zie 2.16).
- Nederland heeft uitdrukkelijk gekozen voor een van de Berner Conventie afwijkend onderscheid tussen een verzetsrecht tegen wijzigingen met een redelijkheidsdrempel enerzijds en een verzetsrecht tegen aantastingen gekoppeld aan een reputatieschadevereiste anderzijds (zie 2.13, 2.14 en 2.16).
- Bij enkele aantasting is niet reputatieschade gegeven, dat nadeelsvereiste wordt separaat getoetst (zie 2.27).
- Bij de geobjectiveerde reputatieschadetoets die nagaat of de aantasting nadelig effect zou kunnen hebben op de publieke perceptie van de maker, is ruimte voor rechterlijke weging tussen de belangen van de maker en de stoffelijke eigenaar (zie 2.33).
- Dit betekent niet dat alle omstandigheden van het geval bij de toets aan het nadeel- vereiste moeten worden betrokken (en dat dus sprake zou zijn van een volledige redelijkheidstoets). Het gaat slechts om die omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de publieke perceptie van de maker in relatie tot de verandering in het werk (zie 2.34).
- Maar als aantasting en reputatieschade zijn vastgesteld, dan heeft de maker in beginsel het recht zich hier tegen te verzetten. Voor een nadere belangenafweging waarin alle omstandigheden van het geval bij de beoordeling worden betrokken (dus: buiten het kader van de toets aan het nadeel-vereiste) is "sub d" in beginsel geen plaats (zie 2.35).