IEF 18727

Conclusie AG: klachten van Spirits in wodka-zaak verwerpen

Conclusie AG HR 20 september 2019, IEF 18727; 18/01474 (Spirits tegen FKP) Tweede cassatie in de langlopende procedure tussen FKP en Spirits International over de eigendom van de beroemde Stolichnaya en Moskovskaya wodkamerken. Zie ook [IEF 17411, 16025 en 14795]. Spirits is in deze zaak bij tussenuitspraken in eerste aanleg (2006), appel (2012) en cassatie (2013) in het ongelijk gesteld. Daarin is o.a. geoordeeld dat er nooit sprake is geweest van een privatisering of enige andere overgang van de wodkamerken van het toenmalige Russische staatsbedrijf naar Spirits’ vermeende rechtsvoorganger VAO. Ook was Spirits niet te goeder trouw bij de verkrijging van de merken. De rechtbank Den Haag heeft vervolgens met inachtneming van deze uitspraken Spirits bevolen de wodkamerken op naam van FKP te laten stellen (2015). Daartegen heeft Spirits weer tevergeefs beroep ingesteld (2018).
Nu probeert Spirits het nogmaals in cassatie, op de grond dat het hof Den Haag in haar arrest van 2018 had moeten terugkomen op de in de eerdere cassatie al bekrachtigde eindbeslissingen. De AG volgt het hof in haar oordeel dat de regel van de onaantastbaarheid van cassatie zich daartegen verzet, en dat er ook geen (nieuwe) omstandigheden zijn die tot een andere uitspraak zouden moeten leiden. Ook de klachten van Spirits tegen de oordelen van het hof dat Spirits jongere merken te kwader trouw heeft gedeponeerd, en dat FKP recht heeft op winstafdracht en schadevergoeding moeten volgens de AG worden verworpen.

Het principaal cassatieberoep van Spirits behelst in de eerste plaats een aantal procesrechtelijke kwesties: ten onrechte niet teruggekomen van eindbeslissingen in het tussenarrest 2012, althans ingeroepen herroepingsgronden hadden hier tot herziening van bindende eindbeslissingen moeten leiden, aangevochten wordt dat geen sprake was van bedrog en een toegestane eisvermeerdering van FKP wordt bestreden. Merkenrechtelijke cassatietwistpunten zijn dat geen rechtsverwerking is aangenomen om de nietigheid van de merken STOLI en STOLI CITRONA in te roepen, inbreuk te kwader trouw en winstafdracht (art.2.21 lid 4 BW) en de problematiek rond cumulatie van schadevergoeding en winstafdracht, met als procesrechtelijk staartje de verhouding tot de schadestaatprocedure. Ik zie geen van deze klachten slagen, als is er over twee merkenrechtelijke kwesties (in onderdelen 9 en 10) ruimte voor enige aarzeling.
FKP klaagt in haar onvoorwaardelijk incidenteel cassatieberoep volgens mij ook vruchteloos over de proceskostenveroordeling ex art. 1019h Rv.

3.107 Dit betoog slaagt volgens mij ook niet. Wij zagen al eerder dat het hof in rov 46 tot de slotsom is gekomen dat de VO-merken zijn blijven toebehoren aan VVO en nu, door FKP beheerd, staatseigendom zijn van de Russische Federatie. Ook in rov.59 gaat het hof hiervan uit. Toegegeven moet worden dat de vaststelling in rov.83, dat Spirits ten tijde van de overdracht wist of behoorde te weten van de gerechtigheid van FKP tot de VO-merken, inderdaad niet helemaal scherp is geformuleerd. Die overweging dient duidelijk aldus te worden verstaan dat Spirits ten tijde van de overdracht wist of behoorde te weten dat VVO (de voorgangster van FKP als beheerder) tot de VO-merken gerechtigd was. Het gedeelte van de klacht over de bevoegdheid van FKP om winstoverdracht te vorderen, treft gezien rov. 59 geen doel. Hierin is vastgesteld dat FKP, naar het hof in het arrest 2012 oordeelde, mede namens de Russische Federatie optreedt, zodat zij ook uit dien hoofde schadevergoeding kan vorderen.