IEF 19008

Conclusie AG inzake auteursrecht op vervallen octrooi

Conclusie AG 6 februari 2020, IEF 19008, IEFbe 3037; ECLI:EU:C:2020:79 (SI en Brompton Bicycle Ltd tegen Chedech / Get2Get) Geschil tussen de bedenker van een vouwsysteem voor fietsen (en het bedrijf dat die fietsen produceert) en een Koreaanse onderneming die soortgelijke fietsen produceert die door eerstgenoemde wordt beschuldigd van schending van zijn auteursrecht. De rechtsvraag luidt of een fiets waarvan het vouwsysteem vroeger onder een – thans vervallen – octrooi viel, als auteursrechtelijk beschermbaar werk kan worden beschouwd. Met name belangrijk is of een dergelijke bescherming is uitgesloten wanneer de vorm van het voorwerp “noodzakelijk is om technisch resultaat te bereiken” en op basis van welke criteria hij die beoordeling moet maken.

Er wordt geoordeeld dat artikelen 2 tot en met 5 van richtlijn 2001/29/EG geen auteursrechtelijke bescherming bieden voor de schepping van producten met een industriële toepassing waarvan de verschijningsvorm uitsluitend door hun technische functie wordt bepaald. Bij de beoordeling of de specifieke kenmerken van de verschijningsvorm van een product uitsluitend door de technische functie van dat product worden bepaald, moet de bevoegde rechter rekening houden met alle relevante objectieve omstandigheden van elke zaak, waaronder het bestaan van een vroeger octrooi of modelrecht op hetzelfde product, de doeltreffendheid van de verschijningsvorm om het technische resultaat te bereiken en de wil om dat te bereiken. Ten slotte wordt er geoordeeld dat wanneer de technische functie de enige bepalende factor voor de verschijningsvorm van het product is, het niet relevant is dat er andere alternatieve verschijningsvormen bestaan. De omstandigheid dat de gekozen verschijningsvorm belangrijke niet-functionele elementen bevat die zijn bepaald door de vrije keuze van de maker van het product, kan wel relevant zijn.

102. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de vragen van de Tribunal de l’entreprise de Liège (ondernemingsrechtbank Luik, België) als volgt te beantwoorden:

„1)      De artikelen 2 tot en met 5 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij bieden geen auteursrechtelijke bescherming voor de schepping van producten met een industriële toepassing waarvan de verschijningsvorm uitsluitend door hun technische functie wordt bepaald.

2)      Bij de beoordeling of de specifieke kenmerken van de verschijningsvorm van een product uitsluitend door de technische functie van dat product worden bepaald, moet de bevoegde rechter rekening houden met alle relevante objectieve omstandigheden van elke zaak, waaronder het bestaan van een vroeger octrooi of modelrecht op hetzelfde product, de doeltreffendheid van de verschijningsvorm om het technische resultaat te bereiken en de wil om dat te bereiken.

3)      Wanneer de technische functie de enige bepalende factor voor de verschijningsvorm van het product is, is het niet relevant dat er andere alternatieve verschijningsvormen bestaan. De omstandigheid dat de gekozen verschijningsvorm belangrijke niet-functionele elementen bevat die zijn bepaald door de vrije keuze van de maker van het product, kan wel relevant zijn.”

Prejudiciële vragen

28.      In die omstandigheden heeft de verwijzende rechter het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Dient het Unierecht en inzonderheid richtlijn [2001/29], waarvan de artikelen 2 tot en met 5 met name de verschillende aan de houders van auteursrechten verleende exclusieve rechten vastleggen, aldus te worden uitgelegd dat auteursrechtelijke bescherming uitgesloten is voor werken waarvan de verschijningsvorm noodzakelijk is om een technisch resultaat te bereiken?

2)      Dient bij de beoordeling of een verschijningsvorm noodzakelijk is om een technisch resultaat te bereiken, met de volgende criteria rekening te worden gehouden:
–        het bestaan van andere mogelijke verschijningsvormen waarmee hetzelfde technische resultaat kan worden bereikt;
–        de doeltreffendheid van de verschijningsvorm om dat resultaat te bereiken;
–        de wil van de vermeende inbreukmaker om dat resultaat te bereiken;
–        het bestaan van een thans vervallen vroeger octrooi op het procedé waarmee het gewenste technische resultaat kan worden bereikt?”