IEF 19295

Conclusie A-G in Montis tegen Klaver

Parket bij de HR 29 mei 2020, IEF 19295; ECLI:NL:PHR:2020:542 (Montis tegen Klaver) Auteursrecht. Zie ook [IEF 19168]. Opnieuw mag de Hoge Raad zich buigen over de vraag of de Charly fauteuil van Montis in Nederland auteursrechtelijke bescherming geniet. Waar Montis zich eerst op het Nederlandse en Duitse Auteursrecht heeft beroepen, doet Montis in deze zaak een beroep op het Franse auteursrecht. De vraag die nu centraal staat, is of het auteursrecht op stoel Charly van Montis wel herleeft op grond van art. 51 lid 1 Auteurswet wegens auteursrechtelijke bescherming in Frankrijk. De opinies hierover van de Franse advocaten van beide partijen staan tegenover elkaar. De A-G is van mening dat de vraag of een concreet werk beschermd is of was, geen zuivere rechtsvraag is.

4.11. Vervolgens wijst Maître Delile erop dat werken van toegepaste kunst, zoals stoelen, auteursrechtelijk zijn beschermd als zij voldoen aan het originaliteitsvereiste, wat hij illustreert aan de hand van zeven precedenten uit de Franse (lagere) rechtspraak. Voor zover valt na te gaan was in elk van de genoemde gevallen Frankrijk het land van oorsprong van het objectum litis. Uit die precedenten kan daarom niet worden afgeleid dat de Charly, waarvan het (veronderstelde) land van oorsprong Duitsland is, op 1 juli 1995 in Frankrijk auteursrechtelijk was beschermd. Vóór 2013 paste de Cour de Cassation wél de reciprociteit-regel van de tweede volzin van art. 2 lid 7 toe.

4.12. Mr. Prins wijst erop dat de arresten van de Cour de Cassation uit 2013 duidelijk hebben gemaakt dat dat buitenlandse auteursrechtelijk beschermbare werken op grond van de Franse auteurswet op precies dezelfde wijze bescherming genieten als Franse werken. Deze rechtspraak is volgens hem echter alleen relevant als de rechter het Franse recht daadwerkelijk gaat toepassen. Volgens mr. Prins ligt voor werken van toegepaste kunst, waar de arresten van 2013 geen betrekking op hadden, de situatie anders vanwege het bepaalde in de tweede volzin van art. 2 lid 7 BC. Zo wijst mr. Prins op rechtspraak van de Cour de Cassation uit 2002 en 2004, waarin nog werd bepaald dat het voor het verkrijgen van Franse auteursrechtelijke bescherming noodzakelijk is aan te tonen dat een werk van toegepaste kunst (zoals het uiterlijk van een stoel) in het land van oorsprong auteursrechtelijk wordt beschermd als een oorspronkelijk kunstwerk. Hij wijst er verder op dat, in 1995, de drempel voor auteursrechtelijke bescherming van werken van toegepaste kunst in Duitsland erg hoog lag. Mr. Prins concludeert dat volgens vaste Franse jurisprudentie op 1 juli 1995 een werk van toegepaste kunst dat in het land van oorsprong (in de zin van de Berner Conventie) niet aantoonbaar auteursrechtelijk is beschermd, niet in aanmerking kwam voor auteursrechtelijke bescherming in Frankrijk.