IEF 19168

Principaal cassatieberoep van Montis wordt verworpen

HR 17 april 2020, IEF 19168; ECLI:NL:HR:2020:750 (Montis tegen verweerster) Auteursrecht. Rechtsgevolgen van het vervallen per 1 december 2003 van het vereiste van een instandhoudingsverklaring (art. 21 lid 3 (oud) BTMW) voor een auteursrecht ten aanzien van een werk van toegepaste kunst dat reeds voordien was vervallen wegens het niet tijdig afleggen van een instandhoudingsverklaring. In deze zaak, betreffende auteursrecht op een stoelmodel, heeft de Hoge Raad bij arrest van 13 december 2013 ECLI:NL:HR:2013:1881 vragen van uitleg van de eenvormige Beneluxwet inzake tekeningen en modellen gesteld aan het Benelux-Gerechtshof.

Het Benelux-Gerechtshof heeft deze prejudiciële vragen beantwoord bij arrest van 17 juli 2018, na op zijn beurt vragen van uitleg van de Beschermingstermijnrichtlijn (Richtlijn 93/98/EEG) aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te hebben gesteld,  HvJEU 20 oktober 2016, zaak C-169/15, ECLI:EU:C:2016:790. Het principaal beroep van Montis moet worden verworpen. Ook komt de Hoge Raad niet terug van zijn oordeel in het tussenarrest over – kort gezegd – de verhouding tussen het vereiste van een instandhoudings-verklaring van art. 21 lid 3 (oud) BTMW, het formaliteitenverbod van art. 5 lid 2 Berner Conventie en het gelijkstellingsbeginsel van art. 5 lid 1 Berner Conventie. Niet is gebleken dat dit oordeel berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, zie ook [IEF 18904].

3.9.1
Montis heeft in haar schriftelijke toelichting na prejudiciële vragen de Hoge Raad verzocht om terug te komen van zijn oordeel in de rov. 6.3.2-6.3.3 van het tussenarrest over – kort gezegd – de verhouding tussen het vereiste van een instandhoudingsverklaring van art. 21 lid 3 (oud) BTMW, het formaliteitenverbod van art. 5 lid 2 Berner Conventie en het gelijkstellingsbeginsel van art. 5 lid 1 Berner Conventie.

3.9.2
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om terug te komen van zijn hiervoor in 3.9.1 bedoelde oordeel. Niet is gebleken dat dit oordeel berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Voorts bevat het hiervoor in 3.3 genoemde arrest van het HvJEU, anders dan Montis heeft aangevoerd, geen aanwijzing dat het oordeel van de Hoge Raad onjuist is.