IEF 17968

Cassatie in belang der wet: Is rechtbank Den Haag ook in kort geding exclusief bevoegd?

Conclusie AG HR 31 augustus 2018, IEF 17968; ECLI:NL:PHR:2018:957 (Spin Master/High5) Cassatie in het belang der wet na IEF 16516. Is rechtbank Den Haag ook in KORT GEDING exclusief bevoegd in Gemeenschapsmodel inbreukzaken? Art. 90 en 81 GModVo en art. 3 Uitvoeringswet EG-verordening betreffende de Gemeenschapsmodellen. Zijn ook andere dan Haagse voorzieningenrechters bevoegd om kennis te nemen van Gemeenschapsmodelinbreuken? In bodemzaken is de als “rechtbank voor het Gemeenschapsmodel” aangewezen Haagse rechtbank exclusief bevoegd in Nederland, maar hoe zit dat in kort geding? Daarover bestaat al meer dan tien jaar ongewenste verdeeldheid in de rechtspraak, die wordt gevoed door een tekstverschil tussen art. 90 van de Gemeenschapsmodellenverordening (GModVo) en art. 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening betreffende de Gemeenschapsmodellen (Uvw): in art. 90 GModVo staat dat voor het treffen van voorlopige en bewarende maatregelen inzake Gemeenschapsmodellen “rechterlijke instanties, met inbegrip van de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel” bevoegd zijn, terwijl art. 3 Uvw bepaalt dat uitsluitend de voorzieningenrechter van de Haagse rechtbank, als aangewezen “rechtbank voor het Gemeenschapsmodel”, bevoegd is. Dezelfde kwestie speelt ook bij Uniemerken.

Omdat de Verordeningstekst ruimer lijkt dan de Uitvoeringswetstekst en een verordening als hoger recht boven een daarmee strijdige nationale wet gaat, is rechtspraak voorhanden waarin andere dan Haagse voorzieningenrechters in eerste aanleg en appel zich in kort geding bevoegd achten (althans voor zover het niet om grensoverschrijdende voorzieningen gaat). Andere uitspraken leren juist dat hier exclusiviteit bestaat voor Haagse voorzieningenrechters uit die voor Nederland aangewezen rechtbank voor het Gemeenschapsmodel (en er is zelfs elkaar tegensprekende rechtspraak hierover binnen één en hetzelfde jaar (2017) in dezelfde (Amsterdamse) rechtbank, vgl. hierna in 3.13). Deze uiteenlopende lagere rechtspraak is ongewenst, de praktijk wacht al geruime tijd op duidelijkheid hierover en tot nu toe is deze kwestie niet langs prejudiciële of reguliere weg in cassatie aan Uw Raad voorgelegd.

Gelet op de totstandkomingsgeschiedenis (in het bijzonder de modellering naar het stelsel uit het Geschillenprotocol behorend bij het nooit van kracht geworden Gemeenschapsoctrooiverdrag) en de systematiek van de Gemeenschapsmodellenverordening kom ik tot de bevinding dat er ook in kort geding sprake is van exclusiviteit voor de voorzieningenrechters van de rechtbank voor het Gemeenschapsmodel voor de typen zaken uit art. 81 GModVo (zoals inbreukvorderingen en (daarmee verband houdende) geldigheidskwesties) en dat daartoe mogelijk zelfs geen prejudiciële vragen lijken te hoeven worden gesteld. Zowel die geschiedenis als bedoelde systematiek wijzen volgens mij eenduidig in de richting dat art. 90 GModVo geen uitzondering vormt op de in art. 3 UvW geïmplementeerde exclusieve bevoegdheidsbepaling van art. 81 GModVo. Mocht dat anders worden ingeschat, dan is het aangewezen daar een prejudiciële vraag over te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU).