IEF 18376

Behoefte aan nadere inlichtingen bij auteursrechtenzaak vertaald Duits lied

Hof 's-Hertogenbosch 2 april 2019, IEF 18376; ECLI:NL:GHSHE:2019:1220 (Het Feestduo). Auteursrechtinbreuk. Eiser, aangesloten geweest bij Buma/Stemra, heeft een vertaling gemaakt van een Duitstalig nummer. Universal en de Duitse auteurs van het lied zijn aangesloten bij de Duitse auteursrechtenorganisatie GEMA, een zusterorganisatie van de Buma/Stemra. In 2009 is het Nederlandse nummer via YouTube openbaar gemaakt. Hierna heeft 'het feestduo' een opname vervaardigd van het Nederlandse nummer, zonder hierbij de naam van eiser op enige wijze te vermelden. Echter, door het sluiten van exploitatiecontracten met Buma/Stemra heeft eiser zijn auteurs- en exploitatierechten overgedragen. Daarnaast heeft Universal bij de toestemming om een vertaling van het lied te maken, bedongen dat eiser geen aandeel in het auteursrecht en de inkomsten zou verkrijgen. De aanmelding van het lied van eiser heeft niet geleid tot een rechtsgeldige inschrijving bij Buma/Stemra. Omdat eiser aan zijn persoonlijkheidsrechten geen specifieke vordering verbindt, wordt dit in eerste aanleg [IEF 17289] onbesproken gelaten. Het hof gelast een inlichtingen- en schikkingscomparitie. De grieven stellen kwesties aan de orde waarover het hof, bij gebreke van voldoende informatie, nog geen eindoordeel kan geven. Er is behoefte aan nadere inlichtingen. Daarnaast wenst het hof te onderzoeken of partijen tot een minnelijke regeling kunnen komen.

Met het oog op beide doelen zal het hof een comparitie van partijen gelasten. Op die zitting zullen in ieder geval de volgende onderwerpen aan de orde komen:

i. i) welke afspraken heeft [appellant] gemaakt met betrekking tot het auteursrecht op de Nederlandse vertaling en welke rechten heeft hij overgedragen/wordt hij geacht te hebben overgedragen aan welke partij en op welke datum. Het hof wenst in dit verband niet alleen informatie over de afspraken tussen [appellant] enerzijds en Buma en/of Stemra anderzijds, maar ook over de afspraken die [appellant] met Universal heeft gemaakt.

Daarbij gaat het hof er van uit dat de door [appellant] gemaakte vertaling van het lied “Drob’n auf’m Berg“ naar het Nederlands (hierna: de vertaling) een werk is in de zin van artikel 1 Auteurswet (Aw). De Nederlandse tekst is het resultaat van een aantal creatieve keuzes, zoals de keuze voor de rijmwoorden. De vertaling bezit dan ook een voldoende duidelijk eigen, oorspronkelijk karakter en draagt het persoonlijk stempel van de maker. Dat wordt ook niet, althans onvoldoende gemotiveerd door [geintimeerde c.s.] betwist;

ii) wat moet volgens partijen worden verstaan onder ‘muziekauteursrecht’ zoals opgenomen in het door [appellant] met Buma gesloten exploitatiecontract A (auteur). Dit in het licht van het feit dat het in dit geval (enkel) om een vertaling, dus om een tekst gaat;

iii) op welke via [music productions] uitgegeven geluidsdragers heeft de vermelding van [geintimeerde 2] , [geintimeerde 3] en [geintimeerde 4] als auteurs van de Nederlandse versie van het lied gestaan? Om hoeveel exemplaren ging het? Wanneer is die naamsvermelding geëindigd? Wat is gedaan met de reeds verkochte/verspreide exemplaren en wat met de nog niet verkochte/verspreide exemplaren. Wat waren de respectievelijke aantallen?

iv) vanaf wanneer is de naam van [appellant] als auteur van de Nederlandse versie vermeld? Op welke wijze en bij welke vormen van openbaarmaking en verveelvoudiging?

v) welke afspraken hebben [geintimeerde c.s.] gemaakt met de in 12c en 13 van de memorie van antwoord bedoelde derden zoals Spotify, YouTube en platenmaatschappijen die verzamelde werken met daarop het door [feestduo] uitgevoerde lied “Boven op de Berg” hebben uitgebracht?

vi) op welk bedrag (en met welke motivering) begroot [appellant] de door hem gestelde schade ten gevolge van schending van zijn persoonlijkheidsrechten?

vii) [appellant] zal tevens de gelegenheid krijgen om te reageren op het beroep door [geintimeerde c.s.] bij memorie van antwoord (56) op verjaring en op de bij dat processtuk overgelegde producties, waaronder de onderbouwing van de door [geintimeerde c.s.] op de voet van artikel 1019h Rv gevorderde proceskosten. Anders dan [appellant] met zijn vijfde grief heeft betoogd kunnen ook [geintimeerde c.s.] namelijk als wederpartij van de partij die zich op intellectuele eigendomsrechten beroept op basis van genoemd artikel de volledige proceskosten vorderen.