IEF 18767

Beheer Facebookpagina komt toe aan werkgever

Rechtbank Gelderland, 18 oktober 2019, IEF 18767, IT&R 1912; ECLI:NL:RBGEL:2019:4651 (Stichting Dierenopvangtehuis tegen gedaagde) Kort geding. Beheer Facebookpagina. Gedaagde was in dienst bij het Dierenopvangtehuis en had vanuit haar persoonlijke account op Facebook een facebookpagina aangemaakt van het dierenasiel. Hierop plaatste zij regelmatig haar eigen mening met betrekking tot producten of diensten van en voor het asiel. De voorzitter van het asiel had via een mail verzocht om dit na te laten en dit alleen via haar eigen facebookpagina te doen, omdat dit het asiel problemen op zou kunnen leveren. Gedaagde weigert uiteindelijk de facebookpagina over te dragen aan het bestuur en doet op twitter enkele uitspraken over het bestuur. Dierenopvangtehuis vordert op straffe van dwangsom het beheer van de facebookpagina en de gegevens hiervan te krijgen van gedaagde. De vordering wordt toegewezen. Het beheer van de facebookpagina komt toe aan de werkgever, omdat de facebookpagina door de voormalige werknemer voor de werkgever is aangemaakt. De uitlatingen van de voormalige werknemer zijn niet onrechtmatig jegens werkgever.

Beheer facebookpagina
4.5. Met betrekking tot de facebookpagina in kwestie is de voorzieningenrechter van oordeel dat voorshands voldoende aannemelijk is dat Dierenopvangtehuis als rechthebbende op het beheer van de facebookpagina moet worden aangemerkt. Hiertoe wordt het volgende in aanmerking genomen. Vaststaat dat [Gedaagde] de facebookpagina heeft aangemaakt vanuit haar persoonlijke facebookaccount terwijl zij in dienst was van Dierenopvangtehuis. De facebookpagina droeg vanaf het moment van aanmaken ervan tot (in ieder geval) enige maanden geleden de naam ‘ [naam facebookpagina] ’. Uit de door Dierenopvangtehuis overgelegde facebookberichten blijkt dat, in ieder geval gedurende het dienstverband van [Gedaagde] , alle inhoud van de facebookpagina gerelateerd was aan de werkzaamheden van Dierenopvangtehuis, te weten het (her)plaatsen van honden en algemene informatie over dierenaangelegenheden en de verzorging van dieren. Daarnaast volgt uit de onder 2.5. en 2.6. weergegeven e-mailwisseling dat op enig moment sprake is geweest van een instructie van het bestuur van Dierenopvangtehuis aan [Gedaagde] tot verwijdering van een bepaald facebookbericht waaraan [Gedaagde] , wat zij er ook van vond, direct gehoor heeft gegeven. Ook blijkt uit het door [Gedaagde] opgestelde werkverslag uit 2011 (zie 2.4.) en uit de door haar in 2015 opgemaakte lijst van werkzaamheden voor Dierenopvangtehuis (zie 2.7.) dat [Gedaagde] het bijhouden en beheren van de facebookpagina zag als werkzaamheden voor Dierenopvangtehuis.

Uitlatingen
4.9. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Dierenopvangtehuis stelt weliswaar dat [Gedaagde] kwaadspreekt over Dierenopvangtehuis, [Gedaagde] de vuile was buiten hangt en haar berichten op Twitter van een negatieve teneur, smadelijk, lasterlijk en onjuist zijn, maar dit brengt nog niet zonder meer met zich dat de door [Gedaagde] gedane uitlatingen ook onrechtmatig jegens Dierenopvangtehuis zijn. In dit verband is allereerst van belang dat niet betwist is dat de uitlatingen inhoudelijk veelal steun vinden in de feiten. […] Daarnaast is de toonzetting en het taalgebruik dat door [Gedaagde] in haar twitterberichten wordt gebezigd niet van dien aard dat gezegd kan worden dat haar uitlatingen al om die reden onrechtmatig jegens Dierenopvangtehuis zijn. Dierenopvangtehuis heeft verder nog aangevoerd dat [Gedaagde] verwarring heeft gecreëerd door negatieve berichten over Dierenopvangtehuis op de facebookpagina te plaatsen en de naam van de facebookpagina te veranderen, maar Dierenopvangtehuis heeft geen facebookberichten overgelegd waaruit de door haar gestelde negatieve berichten blijken. Verder is het enkele feit dat [Gedaagde] de facebookpagina een andere naam heeft gegeven nog niet onrechtmatig jegens Dierenopvangtehuis. Hoewel te begrijpen valt dat de door [Gedaagde] gedane uitlatingen Dierenopvangtehuis niet welgevallig zijn, zijn er onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd om vast te kunnen stellen dat de grens van wat in het maatschappelijk verkeer toelaatbaar is in het onderhavige geval door [Gedaagde] is overschreden.