IEF 20849

Afzonderlijke handhaving van gezamenlijk auteursrecht

Vzr. Hof Amsterdam 12 juli 2022, IEF 20849, IT 3999; C/13/686678 / KG ZA 20-610 (Jelurida tegen Apollo) Jelurida houdt zich bezig met de ontwikkeling en het onderhoud van computerprogrammatuur, genaamd Nxt Software. Jelurida is beheerder en eigenaar van alle intellectuele eigendomsrechten van een gelijknamige groep waarvan zijn deel uitmaakt. Apollo houdt zich bezig met het aanbieden van verschillende financiële softwarediensten. In het vonnis van 22 september 2020 [IEF 19443] oordeelde de voorzieningenrechter dat Apollo inbreuk had gemaakt op de auteursrechten op de Nxt Software. Apollo vordert in hoger beroep dat het vonnis wordt vernietigd en Jelurida vordert op haar beurt verwerping van het beroep. Het hof oordeelt dat er een gemeenschappelijk auteursrecht rust op het Java-code deel van de Nxt Software.

Nu een gemeenschappelijk auteursrecht in geval van inbreuk door ieder van de gerechtigden afzonderlijk kan worden gehandhaafd, is Jelurida volgens het hof bevoegd om op te treden indien er inbreuk wordt gemaakt op het auteursrecht op de Nxt Software. In de JPL (‘Jelurida Public License’) staan de voorwaarden waaronder Jelurida de Nxt Software beschikbaar heeft gesteld aan derden. Het hof is van mening dat Jelurida zich tegenover Apollo niet ten onrechte beroept op de JPL. Ook oordeelt het hof dat de veroordeling tot nakoming van de JPL zal worden uitgebreid tot het grondgebied van de EU. Verder wijst het hof de gevorderde uitbreiding van de veroordelingen tot het grondgebied van de EU af. Het hof bekrachtigt het vonnis deels, maar vernietigt het vonnis ook voor een deel.

4.3.3 Daaraan doet niet af dat, zoals Jelurida betoogt, is vastgelegd welke bijdragen de verschillende makers op welke momenten hebben geleverd en dat in de Nxt Software 'tot op de letter te achterhalen' is welke code van welke auteur afkomstig is, waarbij Jelurida ter onderbouwing verwijst naar een tabel die zij heeft overgelegd als productie 42. Het feit dat de bijdragen van ieder van de makers op een dergelijke wijze zijn gedocumenteerd zegt immers op zichzelf niets over de vraag of het resultaat van de werkzaamheden van ieder van hen een - ten opzichte van het geheel van de (javacode in de) Nxt Software - scheidbaar gedeelte oplevert in de zin van de eerder genoemde jurisprudentie. Uit de bedoelde stellingen en productie van Jelurida blijkt ook niet op welk scheidbare gedeelte of gedeelten binnen de Nxt Software Jelurida het oog heeft, en evenmin of de gedocumenteerde werkzaamheden betrekking hadden op een of meer van dergelijke gedeelten.

4.3.9 Het hof is overigens van oordeel dat, óók indien wel aannemelijk zou zijn dat Apollo door deze overdracht mede-gerechtigde tot het auteursrecht is geworden en zij mitsdien de inbreuk zou hebben begaan als mede-auteursrechthebbende, dat niet afdoet aan de door artikel 26 Auteurswet toegekende bevoegdheid voor iedere gerechtigde (en dus voor Jelurida) tot handhaving van het auteursrecht tegen inbreuk. Voor zover al moet worden aangenomen dat in het algemeen de in artikel 3:171 BW bedoelde rechtsvorderingen, zoals Apollo bepleit, niet kunnen worden ingesteld tegen mede-deelgenoten, dan spreekt nog niet vanzelf dat zulks ook het geval is indien het gemeenschappelijke goed een intellectuele-eigendomsrecht is en de rechtsvordering is gericht tegen inbreuk daarop. In ieder geval vormt artikel 26 Auteurswet - zoals Apollo op zichzelf onderkent - een lex specialis ten opzichte van de algemene regel van artikel 3:171, waarvan het hof aannemelijk acht dat die voor een gemeenschappelijk auteursrecht derogeert aan zo'n (veronderstelde) regel voor gemeenschappelijke goederen in het algemeen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de aan Apollo verweten inbreuk niet gelijk staat aan een ‘gebruik’ als bedoeld in artikel 3:169 BW maar in wezen een vorm van exploitatie is (die blijkens artikel 3:170 lid 2 BW slechts door of met instemming van de deelgenoten tezamen kan plaatsvinden), nu Apollo immers aan derden toestond om (haar bewerking van) de Nxt Software te gaan gebruiken op andere licentievoorwaarden dan voordien door de gezamenlijke auteursrechthebbenden werd toegestaan. Overigens is gebruik blijkens artikel 3:169 BW alleen maar toegestaan mits dat met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. Apollo heeft niet althans onvoldoende gesteld dat haar handelwijze met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is, terwijl dat, ook gelet op het in dit geding gevoerde debat, wel op haar weg gelegen had.

4.5.4 Ten aanzien van het sub I gevorderde bevel tot nakoming van de JPL acht het hof aannemelijk dat die verplichting ook naar het recht van de andere EU lidstaten moet worden nagekomen, en versterkt, gelet op de geconstateerde tekortkoming door Apollo, met een rechterlijk bevel. De rechtskeuze voor het Nederlandse recht, waarop de bedoelde beoordeling van overeenkomst en tekortkoming is gebaseerd, is in alle EU lidstaten beslissend voor de aanwijzing van het toepasselijke recht (artikel 3.1 van verordening (EG) 593/2008 (Rome I)). Het hof zal daarom de veroordeling tot nakoming van de JPL uitbreiden tot het grondgebied van de EU. Voor uitbreiding van de aan die veroordeling voor Nederland verbonden dwangsom naar andere lidstaten van de Europese Unie ziet het hof echter geen aanleiding. Ten aanzien van de vorderingen sub III en IV is naar voorlopig oordeel van het hof onvoldoende duidelijk geworden dat het ook daarbij gaat om verplichtingen die naar het recht van (al) de overige EU lidstaten moeten worden nagekomen. Apollo heeft uitvoerig en met onderbouwing betwist dat Jelurida ook naar het recht van andere lidstaten kan worden beschouwd als (mede-)auteursrechthebbende en dat zij, zo dat wel het geval zou zijn, bevoegd is tot exploitatie en handhaving van dat auteursrecht op de wijze als in deze zaak aan de orde. Jelurida heeft daartegenover onvoldoende gesteld om er in dit kort geding, waar geen plaats is voor diepgaand onderzoek of bewijslevering op dit punt, vanuit te kunnen gaan dat verplichtingen als ten grondslag gelegd aan vorderingen III en IV ook bestaan in (al) de overige EU lidstaten. Het hof zal de gevorderde uitbreiding van deze veroordelingen tot het grondgebied van de EU daarom afwijzen.