Gepubliceerd op dinsdag 10 maart 2026
IEF 23333
HvJ EU ||
5 feb 2026
HvJ EU 5 feb 2026, IEF 23333; ECLI:EU:C:2026:76 (Z.R. en Ś. tegen U. en Z.), https://www.ie-forum.nl/artikelen/a-g-rantos-over-persoonlijkheidsrechten-bij-tv-en-internetuitzendingen-geen-volledige-bevoegdheid-in-polen-zonder-individualiseerbare-benadeling

A-G Rantos over persoonlijkheidsrechten bij tv- en internetuitzendingen: geen volledige bevoegdheid in Polen zonder individualiseerbare benadeling

Conclusie A-G HvJ EU 5 februari 2026, IEF 23333; IEFbe 4117; ECLI:EU:C:2026:76 (Z.R. en Ś. tegen U. en Z.). In deze conclusie bespreekt advocaat-generaal Rantos de internationale bevoegdheid onder art. 5, punt 3, EEX-Vo 44/2001 bij gestelde aantasting van persoonlijkheidsrechten door een televisieserie die in meerdere lidstaten op televisie is uitgezonden en ook online beschikbaar was. Aanleiding is een Poolse procedure van een voormalig lid van een verzetsformatie en een Poolse vereniging van oud-leden tegen twee in Duitsland gevestigde producenten. Volgens verzoekers zet de serie de betrokken verzetsformatie neer als antisemitisch en collaborerend, waardoor hun persoonlijkheidsrechten zijn geschonden. De Poolse hoogste rechter vraagt het Hof in wezen twee dingen. Ten eerste of de Poolse rechter, als rechter van de staat waar de serie is uitgezonden en waar het centrum van de belangen van verzoekers ligt, bevoegd is om kennis te nemen van de gehele vordering: dus niet alleen van schade in Polen, maar ook van volledige immateriële schade door uitzending in andere lidstaten, én van verstrekkende niet-geldelijke maatregelen zoals excuses op alle betrokken zenders en websites en een voorafgaande disclaimer vóór iedere uitzending. Ten tweede, als dat niet zo is, of de Poolse rechter dan in elk geval bevoegd is voor het Poolse deel van de zaak: dus voor schade die in Polen is ingetreden en voor territoriaal beperkte maatregelen zoals excuses of een waarschuwing bij uitzending in Polen.

De advocaat-generaal maakt daarbij een scherp onderscheid tussen televisie en internet. Voor televisie blijft volgens hem de klassieke Shevill-benadering gelden: de rechter van de vestigingsplaats van de producent of uitgever kan over de volledige schade oordelen, terwijl de rechter van een staat waar de uitzending is ontvangen slechts bevoegd is voor de schade die in die staat is ingetreden. Dat televisie-uitzendingen tegenwoordig vaak samenlopen met online verspreiding doet daar niet aan af, omdat televisie territoriaal blijft en dus wezenlijk verschilt van internet. Voor internet geldt de eDate-lijn: de rechter van het centrum van de belangen van de benadeelde kan over de volledige schade oordelen, maar alleen als de online content objectieve en controleerbare gegevens bevat waardoor die natuurlijke persoon of rechtspersoon direct of indirect als individu kan worden geïdentificeerd. Volgens de advocaat-generaal is dat hier niet het geval, omdat de serie fictieve personages bevat en verzoekers daaruit niet individueel herkenbaar zijn. Ook het door de Poolse rechter voorgestelde criterium dat de serie voor Polen “objectief van wezenlijk belang” is wegens de historische en maatschappelijke context, wijst hij af, omdat dat geen door de verordening erkende bevoegdheidsgrond is.

De conclusie komt er dus op neer dat de Poolse rechter niet bevoegd is om voor de televisie-uitzending uitspraak te doen over de volledige schade of over wereldwijd werkende maatregelen, zoals excuses op alle betrokken zenders en disclaimers vóór iedere uitzending in alle landen. Wel kan de Poolse rechter voor televisie bevoegd zijn voor de in Polen geleden schade en, voor zover het nationale recht dat toelaat, voor op Polen beperkte niet-geldelijke maatregelen, zoals excuses op Poolse zenders of een voorafgaande verklaring bij uitzending in Polen. Voor internet geldt volledige bevoegdheid alleen als verzoekers voldoende individualiseerbaar zijn, en daarvan is hier volgens de advocaat-generaal geen sprake. De conclusie bevestigt daarmee de bestaande scheidslijn tussen Shevill voor territoriale media en eDate voor internet, en verwerpt een verdere uitbreiding van de bevoegdheid op basis van historische of maatschappelijke relevantie van de uiting. Het gaat hier nog om een conclusie van de advocaat-generaal; het Hof moet nog arrest wijzen.

37.      In deze omstandigheden heeft de Sąd Najwyższy de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 5, punt 3, gelezen in samenhang met de overwegingen 11 en 12 van verordening [nr. 44/2001] aldus worden uitgelegd dat de rechterlijke instanties van een lidstaat waar een cinematografisch werk is uitgezonden, die niet de staat is waar dat werk is geproduceerd, bevoegd zijn om kennis te nemen van een rechtsvordering wegens aantasting van persoonlijkheidsrechten door dat werk, in een situatie waarin aanspraak wordt gemaakt op:

a)      een niet-geldelijke prestatie die ertoe strekt de gevolgen van die aantasting weg te nemen, waarbij tevens de verplichting wordt opgelegd om door middel van een verklaring excuses te maken op de televisiezenders waarop het werk is uitgezonden, ongeacht waar dat is geschied, alsook op het internet, en om elke uitzending van het werk op om het even welke plaats te laten voorafgaan door een passende verklaring, of

b)      een geldelijke prestatie (vergoeding) die ertoe strekt de volledige immateriële schade te herstellen die als gevolg van die aantasting is geleden doordat het werk is verspreid (uitgezonden) in andere lidstaten,

er rekening mee houdend dat:

–        het centrum van de belangen en de woonplaats van verzoekers zich in die lidstaat [van verspreiding] bevinden,

–        verzoekers de aantasting van hun persoonlijkheidsrechten in verband brengen met de wijze waarop het werk de leden van [de militaire formatie X] van die lidstaat voorstelt, gelet op het feit dat een van de verzoekers lid van die formatie was en de andere een vereniging is van voormalige leden van die formatie, die als statutaire doelstelling heeft om de nagedachtenis, de historische waarheid en de waardigheid van de formatie te verdedigen;

–        het werk en de wijze waarop de leden van de militaire formatie [X] daarin worden voorgesteld, objectief van wezenlijk belang zijn in de historische, culturele en maatschappelijke context van die lidstaat [van verspreiding]?

2)      Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: moet artikel 5, punt 3, gelezen in samenhang met de overwegingen 11 en 12 van verordening [nr. 44/2001] aldus worden uitgelegd dat de rechterlijke instanties van een lidstaat waar een cinematografisch werk is uitgezonden, die niet de staat is waar dat werk is geproduceerd, bevoegd zijn om kennis te nemen van een rechtsvordering wegens aantasting van persoonlijkheidsrechten door dat werk, in een situatie waarin aanspraak wordt gemaakt op:

a)      een niet-geldelijke prestatie die strekt tot het wegnemen van de gevolgen van die aantasting als gevolg van de uitzending van het werk in de lidstaat waar de rechtsvordering is ingesteld, waarbij tevens de verplichting wordt opgelegd om in die lidstaat excuses te maken en om elke uitzending van het werk in die staat te laten voorafgaan door een passende verklaring, of

b)      een geldelijke prestatie (vergoeding) die ertoe strekt de immateriële schade te herstellen die als gevolg van die aantasting is geleden doordat het werk is verspreid (uitgezonden) in de lidstaat waar de rechtsvordering is ingesteld,

indien nodig rekening houdend met de omstandigheden van de eerste vraag, eerste tot en met derde gedachtestreepje?”