IEF 17529

Rechtbank Den Haag pas bevoegd nadat procedure in België aanhangig is gemaakt en wordt verwezen vanwege verknochtheid

Easy

Rechtbank Den Haag 28 februari 2018, IEF 15529; ECLI:NL:RBDHA:2018:2104 (Easygroup tegen Carrefour SA en Carrefour Belgium) Merkenrecht. Procesrecht. Tussenvonnis. Carrefour S.A. en dochteronderneming Carrefour Belgium hebben de Beneluxmerken EASY CADDY en EASY MARKET ingeschreven. EasyGroup is houder van meer dan 1.000 merken wereldwijd met daarin het bestanddeel EASY, waaronder EASYJET. EasyGroup vordert nietigverklaring van de Beneluxmerkinschrijvingen van Carrefour, omdat deze overeenstemmen met haar merken en zijn ingeschreven voor dezelfde, althans soortgelijke, diensten als (een deel van) de ‘EASY’-merken. De rechtbank verklaart zich ten aanzien van de vorderingen tegen Carrefour Belgium onbevoegd. Op grond van 4.6 lid 5 BVIE ontstaat pas bevoegdheid voor deze rechtbank nadat er een procedure in België aanhangig is gemaakt en de Belgische rechter heeft beslist de zaak te verwijzen, omdat naar zijn oordeel sprake is van verknochtheid. In de hoofdzaak wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

4.4. Bevoegdheid ten aanzien van Carrefour Belgium kan ook niet worden ontleend aan artikel 4.6 lid 5 BVIE. Op grond van deze bepaling ontstaat immers pas bevoegdheid voor deze rechtbank nadat er een procedure in België aanhangig is gemaakt en de Belgische rechter heeft beslist de zaak te verwijzen, omdat naar zijn oordeel sprake is van verknochtheid. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank ten aanzien van Carrefour Belgium onbevoegd is.

4.5. De bevoegdheid van de Belgische rechter ten aanzien van Carrefour Belgium heeft niet tot gevolg, dat de Haagse rechter ten aanzien van Carrefour S.A. ook onbevoegd is. Dit volgt niet uit artikel 4.6 lid 1 of 2 BVIE. Artikel 4.6 lid 2 BVIE wijst voor Carrefour S.A. uitdrukkelijk drie alternatief bevoegde rechters aan, waaronder deze rechtbank, in het geval lid 1 geen bevoegde rechter aanwijst. De redenering van Carrefour c.s. is kennelijk dat aan lid 2 niet wordt toegekomen omdat, op grond van ongeschreven regels van internationaal of Benelux procesrecht, lid 1 in alle gevallen aangevuld moet worden met een samenhang-regeling. Uit hetgeen in 4.3 is overwogen blijkt al dat de rechtbank dat standpunt niet volgt. Voor zover er al ruimte is voor een dergelijke aanvullende samenhang-regeling, dan ziet de rechtbank niet in waarom die de regeling van lid 2 buiten werking zou stellen en tot exclusieve bevoegdheid van de Brusselse rechter ten aanzien van Carrefour S.A. zou leiden in een geval als het onderhavige, waarbij geen risico van tegenstrijdige uitspraken bestaat.

4.6. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank zich ten aanzien van de vorderingen tegen Carrefour Belgium onbevoegd zal verklaren en ten aanzien van de vorderingen tegen Carrefour S.A. bevoegd zal verklaren.