IEF 18671

Zonder tegenbewijs curator is Nordisk mede-auteursrechthebbende op tv-format

Rechtbank Amsterdam 14 augustus 2019, IEF 18671; ECLI:NL:RBAMS:2019:6085 (Nordisk tegen curator) Artikel 4 Auteurswet. Nordisk is producent van een tv-format waarin helderzienden onopgeloste moordzaken oplossen. Een medewerker van Nordisk was voor een groot deel verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het format (format 1). De medewerker heeft samen met een medewerker van TéVé gesproken over het geschikt maken van dit format voor de internationale markt. Dit leidde tot format 2, waarvoor door de medewerker van TéVé een document is geschreven, de ‘format bible'. TéVéPartners/TéVé Holland is later failliet gegaan. Gedaagde is de curator.
Nordisk stelt onder meer dat de auteursrechten op het format voor ten minste 50% -  toekomen aan Nordisk. En dat de curator inbreuk heeft gemaakt op haar auteursrechten door zonder toestemming van Nordisk distributieovereenkomsten over exploitatie van het format aan te gaan met Banijay. Een handshake deal voor toekomstige projecten, betekent nog niet dat partijen zijn overeengekomen dat TéVé Partners/TéVé Holland het auteursrecht voor dit concrete format voor de helft zou overdragen aan Nordisk. Indien de curator slaagt in het leveren van tegenbewijs, zullen de vorderingen van Nordisk worden afgewezen.

4.7. Het idee van het houden van een talentenjacht voor helderzienden met een jury en sceptici is niet beschermd, hoe goed dat idee kennelijk, commercieel bezien, ook blijkt te zijn. Het gaat om de vorm waarin dit idee is uitgewerkt. De uitwerking van het idee voor het format is in dit geval neergelegd in de format bible, die door [medewerker Tévé 1] is geschreven. In geschil is of [medewerker Nordisk] daadwerkelijk door het maken van creatieve keuzes heeft bijgedragen aan het format zoals dat is uitgewerkt of dat hij slechts van praktische assistentie is geweest.

4.10. Nordisk heeft haar stelling dat zij mede-auteursrechthebbende is daarnaast onderbouwd door te wijzen op verschillende documenten waarin telkens Nordisk als joint owner van het format wordt genoemd. Dat blijkt onder meer uit de format bible (zie hiervoor onder 2.6), de e-mail van [medewerker Tévé 2] van 6 oktober 2010 (zie hiervoor onder 2.12) en het persbericht van RDF Rights (zie hiervoor onder 2.11). Dit persbericht is weliswaar van RDF Rights maar heeft [medewerker Tévé 2] zonder commentaar aan Nordisk gezonden en op internet geplaatst. Verder zijn er in 2008 en 2009 productie- en distributieovereenkomsten gesloten met TV Norge voor [naam format 2] , waarin ook is opgenomen dat TéVé Partners en Nordisk de gezamenlijke eigenaren van het format zijn. Datzelfde geldt voor twee niet-ondertekende distributieovereenkomsten tussen TéVé Partners en Nordisk. Een en ander betekent dat in diverse stukken, deels van TéVé Partners/TéVé Holland zelf afkomstig, telkens Nordisk, zowel richting Nordisk zelf als richting derden, als de mede-eigenaar van format wordt aangeduid, hetgeen in de gegeven omstandigheden erop duidt dat Nordisk mede-rechthebbende is. Gedurende geruime tijd heeft TéVé Partners althans TéVé Holland immers ofwel zelf uitingen verspreid ofwel niet opgetreden tegen uitingen van derden waarin Nordisk als mede-rechthebbende wordt gepresenteerd. Deze uitingen dragen dus bij aan het bewijs van de stelling van Nordisk dienaangaande. Een verdere onderbouwing kan worden gevonden in de omstandigheid dat Nordisk delen van de exploitatie-opbrengst van het format heeft ontvangen en dat in de distributieovereenkomst met RDF Rights uit 2006 is bepaald dat ook toestemming van Nordisk vereist is voor exploitatie in bepaalde landen (zie hiervoor onder 2.10). Voor zover de hiervoor bedoelde uitingen geen juiste weergave van de auteursrechtelijke verhoudingen zouden zijn, is er geen overtuigende verklaring gegeven waarom deze vermelding in al deze uitingen desalniettemin werd gehanteerd of waarom hiertegen niet is opgetreden. De door [medewerker Tévé 2] gegeven verklaring dat er slechts onverplicht en met het oog op de goede relatie credits zijn opgenomen en betalingen aan Nordisk zijn verricht, overtuigt niet. Juist bij een televisieproducent die zich bedrijfsmatig bezig houdt met het exploiteren van formats had het voor de hand gelegen dat dan een daartoe strekkend voorbehoud kenbaar zou zijn gemaakt.

4.15. Als de curator niet slaagt in het leveren van tegenbewijs, komt vast te staan dat Nordisk voor 50% mede-auteursrechthebbende op het format is. Voor een andere verdeling (dan 50/50) heeft geen van partijen voldoende concrete feiten gesteld. In afwachting van eventuele bewijslevering, houdt de rechtbank iedere verdere beslissing over de vorderingen die hierop zijn gebaseerd aan. Daarbij merkt de rechtbank volledigheidshalve op – tussen partijen is dit ook niet in geschil – dat ingeval van het niet slagen van het tegenbewijs moet worden aangenomen dat sprake is van het gemeenschappelijk auteursrecht dat de ene deelgenoot zelfstandig tegenover de andere deelgenoot kan handhaven (vgl. deze rechtbank 21 september 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:5983).

4.19. Bij de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen, komt het – gelet op artikelen 3:33, 3:35 en 6:217 Burgerlijk Wetboek – aan op hetgeen partijen over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden hebben mogen afleiden. Nordisk heeft op dit punt onvoldoende gesteld. De enkele stelling dat er een handshake deal zou zijn voor toekomstige projecten, betekent nog niet dat kan worden vastgesteld dat partijen zijn overeengekomen dat TéVé Partners/TéVé Holland het auteursrecht voor dit concrete format voor de helft zou overdragen aan Nordisk, nog afgezien van de vraag of een dergelijke mondelinge overeenkomst mogelijk is gelet op artikel 2 Aw en de vraag of een hierop gebaseerde vordering in deze procedure kan worden ingesteld. Hetgeen in dit verband overigens is aangevoerd, behoeft gelet hierop geen bespreking meer. Een en ander betekent dat indien de curator slaagt in het leveren van tegenbewijs, de vorderingen van Nordisk zullen worden afgewezen.