IEF 20068

Woordmerk 'Miley Cyrus' heeft een duidelijke en specifieke semantische inhoud

Gerecht EU 16 juni 2021, IEF 20068; ECLI:EU:T:2021:372 (Smiley Miley tegen EUIPO) Smiley Miley heeft in 2014 het woordmerk 'Miley Cyrus' geregistreerd. Het EUIPO heeft in eerste aanleg bepaald, dat er sprake is van verwarring ten aanzien van de merknaam Cyrus, een verkoper van onder andere muziekinstallaties. Smiley Miley komt daar in deze zaak tegen in beroep en voert aan dat de vergelijking minimaal is. Het Gerecht vernietigt de uitspraak van het EUIPO. Ze stelt dat de naam Miley Cyrus voor het relevante publiek een duidelijke en specifieke semantische inhoud heeft, omdat zij bij het grote publiek bekend staat als een internationale zangeres. Deze specifieke inhoud geldt niet voor de merknaam Cyrus, waardoor er geen sprake kan zijn van verwarringsgevaar. 

61. Dat is hier het geval. Het aangevraagde merk MILEY CYRUS heeft voor het relevante publiek een duidelijke en specifieke semantische inhoud, aangezien het verwijst naar een internationaal bekende publieke figuur die bekend is bij de meeste geïnformeerde, redelijk omzichtige en oplettende personen, zoals in punt 51 hierboven is uiteengezet, terwijl het oudere merk geen bijzondere semantische betekenis heeft. Bovendien is de zangeres en actrice Miley Cyrus zo bekend dat het niet aannemelijk is dat, bij gebreke van concrete aanwijzingen voor het tegendeel, de gemiddelde consument die wordt geconfronteerd met het merk MILEY CYRUS ter aanduiding van de betrokken waren en diensten de betekenis van dit teken als verwijzing naar de naam van de beroemde zangeres en actrice buiten beschouwing zal laten en het hoofdzakelijk zal opvatten als een merk, naast andere merken, voor dergelijke waren en diensten (zie in die zin arrest van 17 september 2020, EUIPO/Messi Cuccittini, C-449/18 P en C-474/18 P, niet gepubliceerd, EU: C:2020:722, punt 36).

65. Aangezien het aangevraagde merk en het oudere merk globaal verschillend zijn, is dus niet voldaan aan een van de cumulatieve voorwaarden voor toepassing van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009. Bijgevolg moet, zonder dat hoeft te worden beslist over de mate van soortgelijkheid van de betrokken waren en diensten, worden geoordeeld dat de kamer van beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat er verwarringsgevaar in de zin van deze bepaling bestond.