IEF 18930

Vragen van uitleg aan HvJ EU over GMVo

Hoge Raad 10 januari 2020, IEF 18930; ECLI:NL:HR:2020:26 (EPAL tegen PHZ) Cassatie. Onrechtmatige daad Uniemerkenrecht. EPAL is houdster van het merk EPAL voor opnieuw te gebruiken pallets. EPAL is met het beheer en de controle op kwaliteit van zogeheten EUR/EPAL-pallets belast. EPAL stelt dat PHZ europallets die waren voorzien van het merk EPAL, niet alleen heeft gerepareerd, maar ook verder heeft verhandeld, [IEF 18619].  Kan EPAL zich als houdster van het gemeenschapsmerk verzetten tegen de verdere verhandeling van tweedehands, van het EPAL-merk voorziene, pallets die zijn gerepareerd door PHZ of door anderen dan EPAL-licentienemers? Er zullen vragen van uitleg aan het HvJ EU worden gesteld, zie ook [IEF 18770].

Prejudiciële vragen:

1. ( a) Is voor een geslaagd beroep op art. 13 lid 2 GMVo vereist dat de verdere verhandeling van de desbetreffende merkproducten afbreuk doet of kan doen aan een of meer van de hiervoor in 3.2.4 bedoelde functies van het merk?

( b) Indien het antwoord op vraag 1(a) bevestigend luidt, is dan sprake van een eis die wordt gesteld naast die van de aanwezigheid van ‘gegronde redenen’?

( c) Is voor een geslaagd beroep op art. 13 lid 2 GMVo steeds voldoende dat afbreuk wordt gedaan aan een of meer van de in vraag 1(a) bedoelde functies van het merk?

2. ( a) Kan in zijn algemeenheid worden gezegd dat een merkhouder zich op grond van art. 13 lid 2 GMVo kan verzetten tegen de verdere verhandeling van waren onder zijn merk, indien deze waren zijn gerepareerd door anderen dan de merkhouder dan wel personen die hij daarvoor toestemming heeft gegeven?

( b) Indien het antwoord op vraag 2(a) ontkennend luidt, is dan het bestaan van ‘gegronde redenen’ als bedoeld in art. 13 lid 2 GMVo na reparatie door een derde van door of met toestemming van de merkhouder in het verkeer gebrachte waren afhankelijk van de aard van de waren of de aard van de verrichte reparatie (zoals nader toegelicht hiervoor in 3.2.5), dan wel van andere omstandigheden?

3. Is verzet van de merkhouder als bedoeld in art. 13 lid 2 GMVo tegen verdere verhandeling van door derden gerepareerde waren uitgesloten indien van het merk gebruik wordt gemaakt op een wijze die niet de indruk kan wekken dat er een economische band bestaat tussen de merkhouder (of diens licentienemers) en de partij die de waren verder verhandelt, bijvoorbeeld indien door verwijdering van het merk en/of aanvullende etikettering van de waren, na de reparatie duidelijk is dat de reparatie niet is verricht door of met toestemming van de merkhouder of een licentienemer van deze?

4. Is voor de beantwoording van de voorgaande vragen van belang of het gaat om een collectief merk onder de GMVo en zo ja, in welk opzicht?