IEF 18770

Verzet mogelijk tegen verhandeling pallets?

Hoge Raad 20 september 2019, IEF 18770; ECLI:NL:PHR:2019:918 (EPAL tegen PHZ) Merkenrecht. Vervolg op [IEF 18619] EPAL is houdster van het merk EPAL voor opnieuw te gebruiken pallet. EPAL is met het beheer en de controle op kwaliteit van zogeheten EUR/EPAL-pallets belast. De pallets zijn voorzien van de merken EUR en/of EPAL door middel van een brandmerk op de klos en worden aldus in het economisch verkeer gebracht. Tevens richt EPAL zich op het tegengaan van vervalsing van deze pallets. Ondanks dat PHZ niet over een gebruiksrecht beschikt, heeft zij een aantal pallets verder verhandeld, die waren voorzien van het merk EPAL. Kan EPAL zich als houdster van het gemeenschapsmerk verzetten tegen de verdere verhandeling van tweedehands, van het EPAL-merk voorziene, pallets die zijn gerepareerd door PHZ of door anderen dan EPAL-licentienemers? In het onderhavige zal er allereerst uitleg van het Hof van Justitie in vorm van prejudiciële vragen worden verzocht, alvorens een beslissing te nemen. 

2.44 Op grond van het voorgaande meen ik dat aan het HvJEU de volgende vragen kunnen wor­ den voorgelegd:
(i) Is voor het aannemen van een ‘gegronde reden’ als bedoeld in art. 13 lid 2 GMVo vereist dat de verdere verhandeling van de desbetreffende merkproducten afbreuk doet of kan doen aan één of meer functies van het merk (en zo ja, welke functie(s))? 

(ii) Maakt het voor de beantwoording van vraag (i) verschil of de reden voor de merkhouder om zich te verzetten tegen de verdere verhandeling is gelegen in een wijziging of verslech­ tering van de toestand van de waren nadat zij in de handel zijn gebracht?

(iii) Kan, in een geval zoals aan de orde in het hoofdgeding, een merkhouder zich op grond van art. 13 lid 2 GMVo verzetten tegen de verdere verhandeling van tweedehands waren onder zijn merk wanneer deze waren zijn gerepareerd door anderen dan licentienemers van de merkhouder (en zo ja, onder welke voorwaarden)? 

(iv) Indien vraag (iii) bevestigend wordt beantwoord, dient dan in een geval zoals aan de orde in het hoofdgeding te worden aangenomen dat een merkhouder zich niet kan verzetten tegen verdere verhandeling van de gerepareerde waren onder zijn merk, indien degene die zonder afbreuk te doen aan de technische deugdelijkheid of de praktische bruikbaarheid van de waren of (2) dat het om andere redenen onredelijk zou zijn om verwijdering van het merk te vergen en hij bij het in het verkeer brengen van de waren alles doet wat redelijkerwijs mogelijk is om het publiek duidelijk te maken dat hij niet de oorspronkelijke, van de merk­ houder afkomstige, waar verhandelt, maar een door anderen gereviseerd/gerepareerd pro­ duct (vgl. BenGH 6 november 1992, ECLI:NL:XX:1992:AB9577 (AP/Valeo))? 

(v) Indien vraag (iii) bevestigend wordt beantwoord, kan in een geval zoals aan de orde in het hoofdgeding de merkhouder zich verzetten tegen de verdere verhandeling van de gere­ pareerde tweedehands waren, indien degene die deze waren in het verkeer brengt door middel van het aanbrengen van een eigen etiket duidelijk maakt dat er reparaties zijn verricht door een niet bij de merkhouder aangesloten onderneming (vgl. HvJEU 14 juli 2011, nr. C- 46/10, ECLI:EU:C:2011:485 (Viking Gas/Kosan Gas))?