IEF 20703

Vordering verbod vermeend gebruik octrooi afgewezen

Vzr. Rb. Den Haag 9 mei 2022, IEF 20703; C/09/6240 12 / KG ZA 22-42 (Ericsson tegen Apple) Apple maakt als fabrikant van verscheidene elektronica vermeend gebruik van het octrooi van Ericsson. Het octrooi zelf betreft een bepaalde halfgeleiderchip genaamd EP 131. Ericsson vordert een verbod op het gebruik door Apple ervan. De voorzieningenrechter oordeelt dat de belangenafweging in het onderhavige geval ertoe moet leiden dat de vorderingen van Ericsson moeten worden afgewezen voor zover deze vorderingen zien op het Nederlandse grondgebied. Ten eerste zou een verbod inhouden dat de schade die zou worden geleden door Apple onomkeerbaar zou zijn, indien Ericsson ongelijk krijgt in de bodemprocedure. Bovendien acht de voorzieningenrechter van belang dat Ericsson geen producten op de markt brengt die vergelijkbaar zijn met de producten van Apple, waardoor Ericsson klaarblijkelijk geen monopolie op die markt nastreeft. Aldus de rechter, streeft Ericsson naar het genereren van licentie-inkomsten door het octrooi toegankelijk te maken voor licentienemers. Het karakter van de schade van Ericsson wordt daardoor geacht van louter financiële aard te zijn. Tot slot is ook een mogelijk alternatief van het octrooi niet eenvoudig te bereiken. Hierdoor acht de voorzieningenrechter het onjuist om in het onderhavige geval een verbod aan Apple op te leggen.

4.30. Een verbod zou zeer ingrijpende gevolgen hebben voor Apple c.s. Zij is al geruime tijd met een aanzienlijk aantal (voor haar belangrijke) consumentenproducten op de Nederlandse markt daarin de vermeend inbreukmakende chips zijn verwerkt. Tot voor kort met toestemming van Ericsson. In het geval van een verbod zou zij de verkoop van deze producten moeten staken, met inbegrip van alle technologie en vormgeving die niet door het octrooi wordt beschermd. Wat zou leiden tot aanzienlijke vermogens-, relatie- en reputatieschade. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat, zoals Apple c.s. betoogt, een deel van deze schade (als een verbod in een bodemprocedure geen stand zou houden) onomkeerbaar is en niet, dan wel moeilijk bepaalbaar. Daarbij is van belang dat Ericsson tijdens de mondelinge behandeling heeft bevestigd dat zij geen producten op de markt brengt vergelijkbaar met de producten van Apple c.s. Ericsson beweegt zich niet op de markt van bijvoorbeeld smartphones of ”access enabled tablets” en produceert ook niet de voor dergelijke producten benodigde chips waarin de onderhavige VCO is verwerkt. Dat betekent dat aannemelijk is dat Ericsson op dit vlak geen monopolie nastreeft, maar dat zij gericht is op het genereren van licentie-inkomsten door de geoctrooieerde technologie voor licentienemers toegankelijk te maken. Dat Ericsson hierop gericht is. wordt ondersteund door het gegeven dat de GPLA evenals voorgaande licentieovereenkomsten jarenlang de relatie tussen partijen heeft bepaald. EP 131 heeft daarvan — door de “covenant not to sue” (vergelijk onder 2.8) — deel uitgemaakt. Ericsson betwist ook niet dat EP 131 in het resultaat van de onderhandelingen die moeten leiden tot beëindiging van de wereldwijde geschillen tussen partijen, uiteindelijk zal worden meegenomen ook al maakt dit octrooi geen onderdeel uit van de SEP-portfolio van Ericsson en ziet de Amerikaanse procedure voor het vaststellen van de FRAND-voorwaarden derhalve niet rechtstreeks op dit octrooi. De schade die Ericsson lijdt, is daarmee naar voorshands oordeel louter financieel van aard en kan relatief eenvoudig achteraf worden begroot en hersteld. Daarnaast acht de voorzieningenrechter van belang dat de VCO waar EP 131 op ziet, een bijzonder klein onderdeel uitmaakt van de verschillende door Apple c.s. geproduceerde en verhandelde consumentenproducten daarin deze VCO wordt verwerkt. Bovendien staat als onweersproken vast dat er voor Apple c.s. geen eenvoudige alternatieve oplossing voorhanden is om de geoctrooieerde techniek van EP 131 in deze consumentenproducten te omzeilen. Dit in tegenstelling tot de situatie in de door Ericsson aangehaalde Apple / Samsung-zaak’ waarin een work around relatief eenvoudig Gezien de bovengenoemde omstandigheden is er in de onderhavige procedure aanleiding de status quo te handhaven en geen verbod op te leggen (daargelaten of een verbod überhaupt aan de orde zou zijn gezien de tussen partijen gevoerde geldigheidsdiscussie over EP 131). De voorzieningenrechter gaat daarmee voorbij aan het standpunt van Ericsson op basis van de Nikon /ASML-zaak dat de hoofdregel is dat de rechter bij vaststelling van inbreuk een verbod moet toewijzen en dat daarvan slechts in een aantal uitzonderingsgevallen kan worden afgeweken. Afgezien van dat de af te wegen omstandigheden in die zaak duidelijk anders lagen (Nikon en ASML waren op het betreffende gebied directe concurrenten en er was sprake van dat Nikon haar marktaandeel wilde uitbreiden, kennelijk met inzet van haar octrooien) is van belang dat de Nikon / ASML-zaak een bodemprocedure betrof waar deze hoofdregel het uitgangspunt is. De onderhavige zaak is echter een kort geding procedure waarin de voorzieningenrechter geacht wordt een (spoedeisende) belangenafweging te maken op basis van alle relevante omstandigheden van het geval. Dat is een andere toets. Het voorgaande betekent dat de op Nederland betrekking hebbende vorderingen van Ericsson zullen orden afgewezen.