IEF 18518

Vordering tot vrijwaring toegestaan in langlopende Bacardi-zaak

Rechtbank Den Haag 12 juni 2019, IEF 18518 (Bacardi tegen Loendersloot) Merkenrecht. Inbreuk. Vrijwaringsincident. Aanhoudingsincident. Bacardi is (licentie)houdster en distributeur in de Benelux van de Bacardi-merken. Bacardi stelt dat gedaagden zich bezighouden met in -en uitvoer van grote partijen Bacardi-producten die niet door of met toestemming van Bacardi in de handel zijn gebracht, dat zij betrokken zijn bij het decoderen van Bacardi-producten en op commerciële schaal diensten verlenen die door derden worden gebruikt om inbreuk te maken op de Bacardi-merken.

Loendersloot vordert toestemming om partijen in vrijwaring op te roepen en om de zaak aan te houden in afwachting van een uitspraak van het Europese Hof op de prejudiciële vraag: “Heeft een persoon die voor een derde waren opslaat die het merkenrecht schenden, zonder van deze inbreuk op de hoogte te zijn, deze waren in voorraad met het oogmerk deze aan te bieden of in de handel te brengen, wanneer hij niet zelf maar alleen de derde voornemens is de waren aan te bieden of in de handel te brengen” [IEF 18055]. Bacardi verzet zich tegen het vrijwarings- en het aanhoudingsincident. De vordering tot vrijwaring wordt toegewezen. De rechtbank overweegt in r.o. 3.5 dat het arbitragebeding uit de Fenex-voorwaarden niet in de weg staat aan toewijzing, omdat slechts de waarborg eventueel een beroep kan doen op dat beding in de vrijwaringsprocedure. De incidentele vordering tot aanhouding wordt afgewezen.Toewijzing van het verzoek zal naar verwachting leiden tot forse verdere vertraging van de reeds langlopende procedure. De enige proceshandelingen die hebben plaatsgehad na het uitbrengen van de dagvaarding in 2017, zijn de door Loendersloot c.s. en Pure Handling opgeworpen incidenten.

3.4. De rechtbank stelt voorop dat een vordering tot oproeping van een derde in vrijwaring in beginsel toewijsbaar is, indien voldoende gemotiveerd en concreet wordt gesteld dat men krachtens een rechtsverhouding met die derde recht en belang heeft om de nadelige gevolgen van een ongunstige afloop van de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk op die derde te verhalen, dit in een zoveel mogelijk tegelijkertijd met de hoofdzaak te behandelen vrijwaringszaak. De vraag of deze rechtsverhouding vaststaat en daadwerkelijk grond vormt voor regres, dient in de vrijwaringsprocedure te worden beantwoord.

3.5. Ten aanzien van Loendersloot is voldaan aan de vereisten voor oproeping in vrijwaring. Uit de aan de incidentele vordering ten grondslag gelegde stellingen volgt namelijk dat niet valt uit te sluiten dat Loendersloot, ingeval van een veroordeling in de hoofdzaak, uit hoofde van de gestelde rechtsverhouding met X een regresvordering heeft op X. Het in de Fenex-voorwaarden opgenomen arbitragebeding, waarop Bacardi c.s. wijst, staat niet in de weg aan toewijzing van de vordering tot vrijwaring. Dat beding leidt alleen tot onbevoegdheid van de rechtbank in de vrijwaringszaak indien een partij zich véér alle weren op het bestaan daarvan beroept, tenzij het beding ongeldig is (artikel 1022 Rv). De rechtbank kan niet nu reeds in het kader van de beoordeling van dit incident vooruitlopen op een mogelijk beroep op het arbitragebeding in de Fenex- voorwaarden.

3.6. Uit de stellingen van Loendersloot c.s. volgt geen relevante tot regres verplichtende rechtsverhouding tussen Flint c.s. en X; alleen Loendersloot is de gestelde overeenkomsten met X aangegaan. Gesteld noch gebleken is dat Flint c.s. tevens partij zijn bij die overeenkomsten dan wel dat zij aan die overeenkomsten rechten kunnen ontlenen. Ten aanzien van X is evenmin een relevante tot regres verplichtende rechtsverhouding met X gesteld of gebleken. In zoverre moeten de vorderingen worden afgewezen.

4. Het aanhoudingsincident
4.1. Loendersloot c.s. vordert — samengevat — dat (primair) het partijdebat en (subsidiair) de behandeling van het partijdebat, in ieder geval voor zover de door Bacardi c.s. ingestelde vorderingen zijn gebaseerd op de vermeende merkinbreuk door de Loendersloot-groep en het gesteld onrechtmatig handelen van X , te schorsen dan wel aan te houden, met bepaling dat (primair) het partijdebat en (subsidiair) de behandeling van het partijdebat pas zal worden gestart op het moment dat het HvJ EU een prejudiciële beslissing heeft gegeven op de door het Bundesgerichtshof gestelde prejudiciële vraag in de zaak Coly Germany/Amazon, die als volgt luidt:
“Heeft een persoon die voor een derde waren opslaat die het merkenrecht schenden, zonder van deze inbreuk op de hoogte te zijn, deze waren in voorraad met het oogmerk deze aan te bieden of in de handel te brengen, wanneer hij niet zelf maar alleen de derde voornemens is de waren aan te bieden of in de handel te brengen?”

4.2. De procedure in de hoofdzaak, die is ingeleid met een op 26 januari 2017 uitgebrachte dagvaarding, waarbij tegen 8 maart 2017 is gedagvaard, loopt reeds geruime tijd. Tegelijkertijd bevindt deze procedure zich in een pril stadium, omdat geen van de gedaagden voor antwoord heeft geconcludeerd in de hoofdzaak. De enige proceshandelingen die hebben plaatsgehad na het uitbrengen van de dagvaarding, zijn de door Loendersloot c.s. en Pure Handling opgeworpen incidenten. Toewijzing van het verzoek zal naar verwachting leiden tot forse — en naar het oordeel van de rechtbank onredeljke en niet met de eisen van de goede procesorde te verenigen — verdere vertraging van de reeds lang lopende procedure. De incidentele vordering tot aanhouding wordt daarom afgewezen.