IEF 17855

Voorschot schadevergoeding afgewezen: geen concrete aanwijzingen dat HR vordering zal toewijzen

Vzr. Rechtbank Midden-Nederland 18 juli 2018 IEF 17855; ECLI:NL:RBMNE:2018:3359 (Journalist tegen oud-rechter) Onrechtmatige daad. Mediarecht. Procesrecht. Journalist heeft een boek geschreven over de Schipholbrandzaak. Gedaagde was destijds rechter en heeft twee procedures in verband met de Schipholbrand voorgeten. In het boek is een citaat vermeld over de gedaagde. Gedaagde heeft een bodemprocedure tegen de journalist aanhangig gemaakt en schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad geeist. Dit is afgewezen. Daarna heeft de journalist een bodemprocedure tegen de gedaagde aanhangig gemaakt en schadevergoeding geeist o.g.v. misbruik van procesbevoegdheid door de bodemprocedure van hiervoor te voeren. Dit is afgewezen en de journalist is in hoger beroep gegaan. Het hoger beroep is doorverwezen naar het gerechtshof en zij hebben een tussenarrest gewezen. Er kan sprake zijn van misbruik van procesrecht. De oud-rechter heeft tussentijds cassatieberoep ingesteld. In dit kort geding vordert de journalist een voorschot op de schadevergoeding. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat de Hoge Raad de vordering zal toewijzen. De vordering wordt afgewezen.

2.3. Een geldvordering in kort geding is alleen toewijsbaar als het bestaan van deze vordering voldoende zeker is. Het moet voldoende aannemelijk zijn dat de bodemrechter deze vordering zal toewijzen. Daarnaast moet er sprake zijn van onverwijlde spoed bij betaling van deze geldvordering. Verder moet bij de beoordeling over de toewijsbaarheid van de geldvordering nog rekening worden gehouden met het risico van onmogelijkheid van terugbetaling ofwel met het restitutierisico. Dit restitutierisico kan ertoe leiden dat de vordering moet worden afgewezen.

2.4.[eiser] heeft in de procedure bij het gerechtshof, zo heeft zijn advocaat tijdens de zitting beaamd, in zijn processtukken al verzocht om een voorschot op de schadevergoeding. Het gerechtshof heeft niets met dit verzoek gedaan. Waarom, dat is onduidelijk. Verder is het zo dat de zaak bij de Hoge Raad aanhangig is. [gedaagde] heeft inhoudelijke gronden aangevoerd tegen het in het tussenarrest van het gerechtshof gegeven oordeel. [gedaagde] komt op tegen het oordeel van het gerechtshof dat hij onrechtmatig heeft gehandeld of misbruik van procesrecht heeft gemaakt en daarom tegenover [eiser] aansprakelijk is. Ook komt hij op tegen het oordeel dat er schade zou zijn en dat zijn verjaringsverweer niet opgaat. Het kan dus zo zijn dat het door het gerechtshof in zijn tussenarrest gegeven oordeel, waarop [eiser] zijn vordering tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding baseert, geen stand houdt. [eiser] wordt niet gevolgd in zijn stelling dat de kans daarop zeer klein is, omdat statistisch gezien slechts 20% van de zaken die bij de Hoge Raad aanhangig worden gemaakt tot succes leiden, waarbij ook nog eens geldt dat dit niet hoeft te betekenen dat het feitelijk oordeel van het gerechtshof onderuit gaat.

Statistieken zeggen niets over de vraag of het tussenarrest van het gerechtshof in de zaak tussen [eiser] en [gedaagde] , waar het hier om gaat, door de Hoge Raad in stand zal worden gelaten of niet. Daarvoor zijn concrete op de zaak toegespitste aanknopingspunten vereist en die zijn niet door [eiser] naar voren gebracht. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat de
Hoge Raad het oordeel van het gerechtshof in de zaak tussen [eiser] en [gedaagde] zal volgen of vernietigen. De uitkomst van het geschil tussen partijen ligt daarom dus nog volledig open. Dat [eiser] volgens het gerechtshof voorshands is geslaagd in de op hem rustende bewijslast, betekent, anders dan [eiser] meent, dus niet dat zijn vordering zal worden toegewezen. Het kan, zoals hiervoor is toegelicht, nog alle kanten uit. Overigens is aan [gedaagde] tegenbewijs opgedragen. Dit houdt in dat hij het voorshands geleverde bewijs zal moeten ontzenuwen of ontkrachten; het is dus niet zo dat hij het tegendeel van wat voorshands is aangenomen moet bewijzen. Er zijn onvoldoende concrete aanwijzingen of [gedaagde] dit tegenbewijs wel of niet zal kunnen leveren, zodat ook dit nog niet een gelopen race in het voordeel van [eiser] is. Het voorgaande maakt dat het bestaan van de vordering van [eiser] op [gedaagde] op dit moment onvoldoende zeker is. Daarbij komt nog dat, zoals [gedaagde] aanvoert, er ook nog een aanzienlijk restitutierisico is. [eiser] verblijft in het buitenland en zwerft daarbij van het ene land naar het andere. Hij is in IJsland geweest en verblijft nu ergens in Ierland. De financiële situatie van [eiser] is bovendien, zoals hijzelf aanvoert, zeer slecht; hij heeft geen recht op een bijstandsuitkering en moet zien rond te komen van een inkomen van slechts enkelen honderden euro’s per maand. De conclusie is dan ook dat het door [eiser] gevorderde voorschot op schadevergoeding moet worden afgewezen.