IEF 18818

Volledige veroordeling in kosten vanwege hoeveelheid bewijsverrichtingen

Hof Den Haag 29 oktober 2019, IEF 18818; ECLI:NL:GHDHA:2019:2803 (X tegen Y) Kwekersrecht. Eindvonnis in langlopende zaak. Vernietiging van vonnis in eerste aanleg van 6 juli 2016 [IEF 16125] waarin geoordeeld werd dat de consumentenverkoop van bloembollen geen inbreuk is op kwekersrecht. Hof heeft alsnog inbreuk aangenomen en geïntimeerde veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en de proceskosten. In het tussenarrest van 13 februari 2018 is geoordeeld dat ook zgn. ‘leverbare bollen’ moeten worden aangemerkt als ‘teeltmateriaal’ in de zin van de ZPW, resp. ‘componenten’ in de zin van de Verordening inzake het communautaire kwekersrecht (GKVo). In dit eindarrest wordt een volledige veroordeling in de kosten redelijk en evenredig geacht vanwege de grote hoeveelheid bewijsverrichtingen die nodig zijn geweest ter weerlegging van het standpunt dat de bollen zouden zijn versnipperd.

2.85.
Ook het betoog van [Y c.s.] dat de kosten niet redelijk en evenredig zijn moet worden verworpen. Op zich heeft [Y c.s.] terecht opgemerkt dat de kosten aanzienlijk hoger zijn dan de indicatietarieven die de rechtbanken en hoven hanteren bij de beoordeling van de redelijkheid en evenredigheid van proceskosten. In deze zaak bieden die indicatietarieven geen goede indicatie van de redelijkheid en evenredigheid, omdat er in deze zaak uitzonderlijk veel bewijsverrichtingen nodig zijn geweest ter weerlegging van het onjuiste, maar door [Y c.s.] stellig verdedigde standpunt dat [Y] bollen van de beschermde rassen heeft versnipperd. In dat licht kunnen ook de omvang van bepaalde werkzaamheden, zoals de tijd besteed aan de memorie na enquête, en het feit dat [X B.V.] kosten heeft gemaakt om bewijs te bewaren dat zij niet heeft ingebracht, zoals de monsters van plantmateriaal en de in bewaring genomen computer van [naam 1] , niet worden aangemerkt als onnodig of niet redelijk en evenredig. [X B.V.] kan ook niet worden verweten kosten te hebben gemaakt naar aanleiding van het door [Y c.s.] ingenomen standpunt dat [getuige] niet kon worden verhoord vanwege een op hem rustende geheimhoudingsplicht. Daarnaast heeft [Y c.s.] bezwaar gemaakt tegen het feit dat meerdere advocaten aan de zaak hebben gewerkt en dat intern overleg is gevoerd. Die feiten zijn als zodanig echter niet ongebruikelijk of onredelijk, zeker niet in een relatief complexe zaak.

2.86.
Ook het bezwaar van [Y c.s.] tegen de kosten van de heer [naam 9] is ongegrond. [Y c.s.] betoogt dat niet duidelijk is welke werkzaamheden [naam 9] heeft verricht. [X B.V.] heeft echter toegelicht dat [naam 9] oud-accountant is en thans haar financieel adviseur is en dat [naam 9] haar in deze procedure heeft geadviseerd en ondersteund bij ‘het boven tafel brengen van de waarheid’. Gelet op het feit dat de boekhoudkundige en financiële aspecten in deze zaak een substantiële rol spelen, onder meer bij de begroting van de schade en de waardering van het bewijsmateriaal, moet worden geoordeeld dat het redelijk was om [naam 9] in te schakelen. Omdat het aantal uren en het tarief dat [naam 9] in rekening heeft gebracht niet, althans niet gemotiveerd zijn bestreden, komen de kosten van zijn werkzaamheden in aanmerking voor vergoeding.

2.88.
Op grond van het voorgaande zal het hof de proceskosten van [X B.V.] in de zaak tegen [Y] in eerste aanleg begroten op € 131.422,96 (€ 146.220,96 + € 5.202,00 - € 20.000,00). Haar kosten van het hoger beroep zullen worden begroot op € 130.498,50 (€ 107.501,50 + € 22.997).