IEF 19608

VoetbalTV hoeft boete AP niet te betalen

Rechtbank Midden-Nederland 23 november 2020, IEF 19608, IT 3337; ECLI:NL:RBMNE:2020:5111 (VoetbalTV tegen Autoriteit Persoonsgegevens) Privacyrecht. VoetbalTV is een (inmiddels failliet) internetplatform waarop amateurvoetbalwedstrijden worden uitgezonden. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) vindt dat VoetbalTV voor het maken van opnames en het uitzenden van voetbalwedstrijden geen geldige grondslag heeft en zij verwerkt daarmee dus onrechtmatig persoonsgegevens. Volgens de AP maakt VoetbalTV door de opnames inbreuk op de privacy van een groot aantal betrokkenen, onder wie veel minderjarige voetballers en rechtvaardigt dit een boete van € 575.000,-.

VoetbalTV stelt dat het opnemen en uitzenden van de wedstrijden valt onder de journalistieke exceptie. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is, omdat de beelden te weinig nieuwswaarde bevatten. VoetbalTV stelt verder dat zij een gerechtvaardigd belang heeft om persoonsgegevens te verwerken, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 sub f AVG. De AP stelt dat het te gelde maken van persoonsgegevens nooit een gerechtvaardigd belang kan opleveren. De rechtbank volgt de AP hierin echter niet. Dat VoetbalTV een commercieel belang heeft, betekent niet zonder meer dat zij geen gerechtvaardigd belang kan hebben. Het op voorhand uitsluiten van een bepaald belang als gerechtvaardigd belang, is in strijd met de Europese rechtspraak. Het boetebesluit is niet voldoende zorgvuldig genomen. De rechtbank vernietigt het besluit en daarmee is de boete in zijn geheel van tafel.

21. Samengevat komt de rechtbank tot de conclusie dat de toetsing van verweerder in dit geval uitgaat van een verkeerde interpretatie van het begrip ‘gerechtvaardigd belang’ en daarom in strijd is met artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, van de AVG. Verweerder heeft in het bestreden besluit subsidiair ook een noodzakelijkheidstoets en belangenafweging uitgevoerd en stelt zich op het standpunt dat die beoordeling er ook toe leidt dat de gegevens onrechtmatig zijn verwerkt en dat de boete dus terecht is opgelegd.

22. De rechtbank stelt echter vast dat het onderzoek dat verweerder heeft uitgevoerd en het onderzoeksrapport dat hij daarna heeft opgesteld niet gaat over de vraag of het noodzakelijk is dat eiseres de persoonsgegevens voor de door haar gestelde doelen verwerkt. Proportionaliteit en subsidiariteit hebben geen deel uitgemaakt van die beoordeling. Evenmin heeft verweerder in die fase van het onderzoek een belangenafweging gemaakt. Omdat verweerder dus de verwerking van persoonsgegevens niet volledig heeft onderzocht en gestopt is bij de vaststelling dat eiseres geen gerechtvaardigd belang heeft, is het besluit voor het overige niet voldoende zorgvuldig genomen en is daarmee in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De boeteoplegging kan daarom niet in stand blijven.

23. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 16 juli 2020. De rechtbank ziet met toepassing van artikel 8:72a van de Awb aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat zij geen ander besluit neemt in de plaats van het vernietigde besluit. Daarmee is de boete dus in zijn geheel van tafel. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.