Gepubliceerd op donderdag 26 februari 2026
IEF 23305
Gerecht EU (voorheen GvEA) ||
25 feb 2026
Gerecht EU (voorheen GvEA) 25 feb 2026, IEF 23305; ECLI:EU:T:2026:154 (Viva Credit IFN SA tegen EUIPO en Viva Wallet AE Symmetochon – Anaptyxis Logismikoy), https://www.ie-forum.nl/artikelen/viva-gerecht-bevestigt-deels-behoud-van-uniemerk-na-vervallenverklaring-wegens-normaal-gebruik

VIVA: Gerecht bevestigt (deels) behoud van Uniemerk na vervallenverklaring wegens normaal gebruik

Gerecht EU 25 februari 2026; IEF 23305; 4111; ECLI:EU:T:2026:154 (Viva Credit IFN SA tegen EUIPO en Viva Wallet AE Symmetochon – Anaptyxis Logismikoy). In deze zaak vraagt Viva Credit IFN SA om (gedeeltelijke) vernietiging/wijziging van een beslissing van de Vierde Kamer van Beroep van EUIPO in een vervallenverklaringsprocedure tegen het Uniemerk (beeldmerk) “Viva” van Viva Wallet. Viva Credit had vervallenverklaring gevorderd wegens niet-normaal gebruik (art. 58(1)(a) en (2) Verordening 2017/1001), waarna de Cancellation Division het merk grotendeels (deels) had laten vervallen voor een breed dienstenpakket in de klassen 35, 36, 38, 39, 41 en 42. In hoger beroep bij EUIPO bracht Viva Wallet aanvullend bewijs in; de Kamer van Beroep accepteerde dat bewijs en oordeelde dat het merk in de periode 6 april 2017 – 5 april 2022 normaal was gebruikt in de EU (met name Griekenland, maar ook o.a. Cyprus en **Roemenië) voor een reeks diensten, waaronder (kort gezegd) commerciële platform-/intermediairdiensten en e-payment brokerage (klasse 35), betalings- en financiële (ook deels niet-elektronische) diensten en ticketing-/boekingsbemiddeling (klasse 36), elektronische communicatiediensten die samenhangen met card payments en user authorisation (klasse 38), reis-/ticketdiensten en informatieverstrekking (klasse 39), reserverings-/boekingsdiensten inclusief e-tickets (klasse 41) en tijdelijke toegang tot online authenticatiesoftware (klasse 42). Viva Credit betoogde o.a. dat de motivering tekortschoot en dat het bewijs onvoldoende was voor plaats, omvang en aard van het gebruik.

Het Gerecht wijst het beroep af. Eerst verwerpt het de niet-ontvankelijkheidsverweren: de middelen zijn voldoende duidelijk om verweer en rechterlijke toetsing mogelijk te maken. Vervolgens faalt het motiveringsmiddel: de Kamer van Beroep hoefde niet elk argument één-voor-één te bespreken en heeft de dragende redenen wel degelijk uiteengezet; eventuele inhoudelijke fouten raken de motivering niet maar de merites. Inhoudelijk bevestigt het Gerecht het toetsingskader voor normaal gebruik (art. 58 jo. art. 18 EUTMR en art. 19(1) Gedelegeerde Verordening 2018/625): het gaat om reëel, naar buiten gericht gebruik ter behoud/creatie van afzet, te bewijzen met concrete, objectieve stukken over plaats, tijd, omvang en aard, waarbij bewijs in samenhang mag worden gewaardeerd en gedeeltelijk verval per coherente subcategorie mogelijk is. Tegen die achtergrond mocht EUIPO uit het geheel aan stukken (websites, e-mails, voorwaarden, overeenkomsten, pers, analytics, transactiedata e.d.) afleiden dat gebruik in de EU was aangetoond, dat de omvang voldoende was, en dat “Viva” ook wanneer gebruikt als onderdeel van de handelsnaam Viva Wallet als merkgebruik kan gelden als het teken de herkomst van de diensten aanduidt. Het Gerecht bevestigt daarom dat het merk voor de door de Kamer van Beroep behouden diensten in stand blijft, en veroordeelt Viva Credit, als verliezende partij en nu een zitting heeft plaatsgevonden, in de proceskosten.

37      When assessing whether use of the trade mark is genuine, regard must be had to all the facts and circumstances relevant to establishing whether the commercial use of the mark is real in the course of trade, particularly the practices regarded as warranted in the relevant economic sector as a means of maintaining or creating market shares for the goods or services protected by the mark, the nature of those goods or services, the characteristics of the market and the scale and frequency of use of the mark (judgment of 8 July 2004, Sunrider v OHIM – Espadafor Caba (VITAFRUIT), T‑203/02, EU:T:2004:225, paragraph 40; see also, by analogy, judgment of 11 March 2003, Ansul, C‑40/01, EU:C:2003:145, paragraph 43).

38      Furthermore, in interpreting the concept of ‘genuine use’, account should be taken of the fact that the ratio legis of the requirement that the earlier mark must have been put to genuine use is not to assess the commercial success of an undertaking or to review its economic strategy, nor is it to restrict trade mark protection to the case where large-scale commercial use has been made of the marks (see judgment of 11 April 2019, Fomanu v EUIPO – Fujifilm Imaging Germany (Representation of a butterfly), T‑323/18, not published, EU:T:2019:243, paragraph 23 and the case-law cited).

39      Moreover, genuine use of a trade mark cannot be proved by means of probabilities or presumptions, but must be demonstrated by solid and objective evidence of actual and sufficient use of the trade mark on the market concerned. It is therefore necessary to carry out a global assessment which takes into account all the relevant factors of the particular case and entails a degree of interdependence between the factors taken into account (judgment of 8 July 2020, Euroapotheca v EUIPO – General Nutrition Investment (GNC LIVE WELL), T‑686/19, not published, EU:T:2020:320, paragraph 35).