IEF 20168

Verzoek tot niet-ontvankelijkheid verklaren afgewezen

Rechtbank Den Haag 28 juli 2021, IEF 20168; ECLI:NL:RBDHA:2021:7993 (MSAR tegen gedaagden) MSAR vordert in conventie dat de rechtbank bij vonnis voor recht zal verklaren dat gedaagden inbreuk hebben gemaakt op de intellectuele eigendomsrechten die verband houden met het teken 'Jetten'. Primair vorderen gedaagden dat MSAR niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het verzoek tot niet-ontvankelijk verklaren wordt afgewezen en de zaak zal weer op de rol komen van woensdag 8 september 2021. 

5.1. Primair vordert [gedaagden] dat MSAR niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Die vordering heeft echter betrekking op een materieel geschilpunt, dat in de hoofdzaak dient te worden beoordeeld en niet bij wege van incident. De rechtbank begrijpt daarbij dat [gedaagden] ter onderbouwing van dit materiële verweer in de hoofdzaak – verkort weergegeven – betoogt dat i) zij betwijfelt of MSAR als entiteit bestaat en rechtsgeldig in deze procedure kan optreden, ii) zij de in de aktes van cessie (overgelegd als EP01.2) beschreven cessies nietig acht en de echtheid en juistheid van de aktes betwist, iii) zij de echtheid en juistheid betwist van het document (overgelegd als EP02) met betrekking tot Oxbridge SE (hierna: Oxbridge) en iv) zij van mening is dat aan de zijde van MSAR sprake is van misbruik van (proces)recht. De rechtbank constateert dat een deel van deze betogen –even veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid daarvan – niet tot gevolg heeft dat MSAR niet-ontvankelijk zou zijn. Maar in ieder geval betreffen het materiële verweren waar slechts bij hoge uitzondering (bijvoorbeeld vanwege onmiskenbaar proceseconomische voordelen) bij wege van incident op kan worden beslist. Dat sprake is van een dergelijke uitzondering is niet gesteld of gebleken. Daarmee ligt de primaire vordering tot niet-ontvankelijkheid in het incident voor afwijzing gereed.