IEF 18627

Verzoek getuigenverhoor toegewezen na vermeende inbreuk auteursrechten

Rechtbank Amsterdam 10 januari 2019, IEF 18627; ECLI:NL:RBAMS:2019:4856 (X tegen Mosman c.s.) Auteursrecht. Procesrecht. Verzoek getuigenverhoor. Verzoeker houdt zich bezig met technisch speur- en ontwikkelingswerk. Mosman c.s. (hierna: Mosman) verkoopt Bulk Solid Heat Exchanger torens (hierna: BHSE’s), torens die worden gebruikt bij productie van o.a. suiker, kunststofkorrels, koolzaad en kunstmestkorrels. Voor de ontwikkeling van de BHSE’s heeft Mosman samengewerkt met een ontwikkelaar. Verzoeker en Mosman zijn een overeenkomst aangegaan ter ontwikkeling van twee warmtewisselaars. Beide samenwerkingen zijn inmiddels beëindigd. Verzoeker vordert nu dat Mosman gebruik van kennis, die is vormgegeven in bepaalde spreadsheets uit deze samenwerking, waarop zijn auteursrechten rusten, staakt. In kort geding is deze voorziening geweigerd. Nu wordt verzocht een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Verzoeker wil de ontwikkelaar en bestuurder van Mosman verhoren. Mosman verzet zich hiertegen. Voorop staat dat een verzoek tot getuigenverhoor kan worden toegewezen als de te bewijzen feiten zijn betwist, het bewijs daarvan door getuigen is toegelaten en de te bewijzen feiten tot een beslissing in de zaak kunnen leiden. Wel kan een dergelijk verzoek worden afgewezen indien de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik maakt. Nu in deze zaak aan de eisen is voldaan, en er geen sprake is van een dergelijke uitzondering, wordt het verzoek toegewezen.

4.1. Uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige is dat de rechter in beginsel op de voet van artikel 186 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), gelezen in samenhang met artikel 166 Rv, een getuigenverhoor beveelt zo vaak één der partijen dit verzoekt, indien de te bewijzen feiten zijn betwist, het bewijs daarvan door getuigen is toegelaten en de te bewijzen feiten tot een beslissing in de zaak kunnen leiden. Dit houdt op grond van artikel 187 lid 3 Rv tevens in dat het verzoek dat ertoe strekt dat een voorlopig getuigenverhoor wordt gehouden de feiten en rechten inhoudt die men wil bewijzen. Het voorlopig getuigenverhoor strekt er vooral toe verzoeker bij een eventueel naderhand aanhangig te maken bodemprocedure de gelegenheid te bieden vooraf opheldering te verkrijgen omtrent de (hem wellicht nog niet precies bekende) feiten, zulks teneinde hem in staat te stellen zijn positie beter te beoordelen.

4.2. Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor kan, ook als het overigens aan de eisen voor toewijzing voldoet, evenwel onder meer worden afgewezen op de grond dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt, waarvan onder meer sprake kan zijn indien verzoeker, in aanmerking nemende de onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen, in redelijkheid niet tot toepassing van die bevoegdheid kan worden toegelaten. Ook kan toewijzing van het verzoek achterwege blijven indien het strijdig is met een goede procesorde, dan wel dat toewijzing van het verzoek moet afstuiten op een ander, door de rechter zwaarwichtig beoordeeld bezwaar. Voorts is ook de in artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (BW) neergelegde regel, dat zonder belang niemand een rechtsvordering toekomt, op het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van toepassing.

4.3. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het verzoek aan de gestelde eisen en is geen sprake van een van de bovengenoemde afwijzingsgronden. [verzoekers] heeft duidelijk gemaakt welke feiten en stellingen zij met behulp van het getuigenverhoor wil bewijzen. Daarmee heeft [verzoekers] voldoende inzicht gegeven in het feitelijk gebeuren waarop het getuigenverhoor betrekking zal hebben. Ook heeft [verzoekers] haar belang voldoende onderbouwd. [verzoekers] meent dat haar auteursrecht toekomt ten aanzien van het Werk en dat Mosman c.s. hier inbreuk op maakt, waardoor [verzoekers] schade lijdt. Mosman c.s. ontkent dit echter en ook de rechter in kort geding heeft geoordeeld dat voorshands, zonder nader onderzoek naar de feiten, niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een auteursrechtelijk beschermd werk en dat vooralsnog niet kan worden aangenomen dat [verzoekers] de maker is van het werk. Het belang van [verzoekers] om hierover duidelijkheid te verkrijgen middels een voorlopig getuigenverhoor is hiermee gegeven.