IEF 20777

Verwijzing vanwege verknochtheid en samenhang

Vzr. Rb. Noord-Holland 9 mei 2022, IEF 20777, LS&R 2075; ECLI:NL:RBNHO:2022:3956 (Novartis tegen Teva) In dit kort geding omtrent een mogelijke verwijzing van een zaak tussen Novartis en Bedrijf, stelt Teva dat de omstandigheden van het geval bijna gelijk zijn aan de zaak die aanhangig bij de rechtbank Den Haag tussen Novartis en Teva. Novartis stelt dat er kort gezegd onvoldoende samenhang bestaat tussen beide zaken, om deze te verwijzen. De voorzieningenrechter oordeelt dat in het onderhavige geval sprake is van verknochtheid. Diegene die volgens de voorzieningenrechter het beste van de vorderingen kennis kan nemen, is diegene die institutioneel met de zorg voor de rechtsbedeling in octrooizaken is belast. Dit is de rechtbank Den Haag, waardoor de zaak tussen Novartis en Bedrijf wordt verwezen.

4.1. Van verknochtheid is sprake, wanneer de feitelijke of juridische geschilpunten in de beide zaken identiek zijn, dan wel een zodanige samenhang vertonen dat consistentie van de uitspraken wenselijk is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit geval zich hier voordoet. Hij kent meer gewicht toe aan de door Teva c.s. gegeven uiteenzetting van de feitelijke samenhang van de onderhavige zaak met de momenteel bij de rechtbank Den Haag in deze kwestie aanhangige geschillen en de mogelijke gevolgen van inconsistentie in de beslissingen die in de betrokken zaken worden genomen, dan aan de door Novartis gegeven uiteenzetting van de verschillen in grondslag en vorderingen. Waar het op aankomt is dat de zorg voor een goede rechtsbedeling op dit octrooirechtelijk gekleurde terrein in deze zaken ermee is gediend dat deze zorg door dezelfde actor wordt gedragen. De meest aangewezene om die zorg op zich te nemen is de rechtbank die institutioneel met de zorg voor de rechtsbedeling in octrooizaken is belast, dus de rechtbank Den Haag.

4.3. Novartis geeft aan de door haar aangehaalde overwegingen in de uitspraak van deze rechtbank een veel ruimere strekking dan uit de context van de zaak en de andere overwegingen voortvloeit. De rechtbank heeft overwogen dat de verwijzingsmogelijkheid niet is bedoeld om een rechtbank die een collectieve actie behandelt en daarom beter kan beoordelen wat er moet gebeuren met de individuele zaken over hetzelfde onderwerp een regisseursrol te geven. Daaruit volgt niet dat de omstandigheid dat niet kan worden gevoegd meebrengt dat voor verwijzing geen rechtsgrond bestaat of dat verwijzing niet zinvol kan zijn.