IEF 19703

Verjaring vordering uitzending Radar

Rechtbank Amsterdam 13 januari 2021, IEF 19703; ECLI:NL:RBAMS:2021:67 (MFR tegen Avrotros) Eiser is bedenker van de BioStabil 2000 en heeft dit samen met MFR geproduceerd en op de markt gebracht. De BioStabil is een zilveren of gouden ketting met hanger. De ketting zou genezende werking hebben door magnetisme en werd te koop aangeboden. AVROTROS besteedde op 8 maart 2004 aandacht aan de BioStabil in het televisieprogramma Radar in een van haar uitzendingen. Over deze uitzending werd eerder geprocedeerd, waarbij geoordeeld werd dat de uitzending niet onrechtmatig was. Beelden van deze uitzending zijn opnieuw uitgezonden op 4 januari 2010 als onderdeel van een jubileumuitzending en ook in een uitzending van 26 september 2016 is wederom kort aandacht besteed aan de BioStabil.

In 2017 heeft eiser herroeping van het eerdere vonnis gevorderd wegens bedrog, omdat Radar geweten zou hebben dat een onjuiste magnetische kracht zou zijn vermeld, maar ook deze vordering werd afgewezen. Eerder diende eiser een verzoek in bij de TU Delft om openbaarmaking van alle documenten die betrekking hebben op de kwestie BioStabil, maar dit verzoek werd deels afgewezen. Daarop heeft eiser eind 2019 een verzoek ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Verweerder in deze zaak is de TU Delft en AVROTROS heeft zich als belanghebbende in deze zaak gevoegd. AVROTROS voert verweer en stelt dat er sprake is van verjaring, omdat de gestelde schade van MFR een gevolg is van de uitzending van 2004 en daarom in 2009 is verjaard. Ook zou MFR misbruik maken van recht, omdat deze procedure identiek is aan eerdere procedures. Geoordeeld wordt dat ten aanzien van de eerste twee uitzendingen de vordering van MFR inderdaad verjaard is. Ten aanzien van de derde uitzending wordt besloten dat deze slechts verwijst naar de eerste uitzending, daarom heeft MFR geen belang bij een nieuw oordeel over de rechtmatigheid van deze uitzending.

4.3. De vordering tot vergoeding van schade die MFR stelt te hebben geleden als gevolg van Uitzending 1, uitgezonden op 8 maart 2004 is verjaard. MFR is op die datum bekend geworden met de schade en aansprakelijke partij. Op grond van de vijfjarige verjaringstermijn betekent dat in beginsel (zie hierna onder 4.9) alle vorderingen van MFR zijn verjaard op 9 maart 2009. Hetzelfde geldt voor Uitzending 2. Die heeft plaatsgevonden op 4 januari 2010 en eventuele vorderingen uit dien hoofde zijn vijf jaar daarna verjaard. Nu [gedaagden] niet figureren in Uitzending 3, zal de vordering ten aanzien van hen, wat daar verder ook van zij, worden afgewezen.

4.4. Uitzending 3 heeft plaatsgevonden op 26 september 2016. De vijfjaarstermijn was ten tijde van het instellen van de vordering met betrekking tot deze uitzending nog niet verstreken. Wel is het zo dat deze uitzending voornamelijk slechts verwijst naar Uitzending 1 en dat in Vonnis 1 alle gestelde onrechtmatigheden (behoudens de hierna te bespreken “nieuwe feiten”) aan de orde zijn gekomen en door de rechtbank zijn verworpen. De rechtbank sluit zich aan bij hetgeen in Vonnis 1 is overwogen nu in deze procedure niet is gebleken waarom dit ten opzichte van MFR anders zou moeten zijn, noch welk eigen belang MFR zou hebben bij zelfstandige beoordeling. Bovendien geldt dat ook indien MFR wel een eigen belang zou hebben, de rechtbank geen grond ziet om Uitzending 3 ten opzichte van MFR als onrechtmatig te beoordelen. In Uitzending 3 komt de BioStabil slechts kort aan de orde en worden er geen beelden van de eerdere uitzendingen getoond. Dat in de uitzending andere producten worden besproken waarvan de werking niet wetenschappelijk kan worden bewezen, maakt de uitzending niet onrechtmatig ten opzichte van MFR. In Vonnis 1 is overigens ook geoordeeld dat het niet onrechtmatig was om in Uitzending 1 te concluderen dat de werking van de BioStabil niet wetenschappelijk is onderbouwd. Dat is ten opzichte van MFR niet anders. Dat het standpunt van [naam 1] in Uitzending 3 wordt geparafraseerd is, gezien hetgeen in de verschillende procedures tussen partijen is geoordeeld, niet onrechtmatig ten opzichte van MFR. Tot slot heeft MFR onvoldoende gesteld welke additionele schade deze uitzending (naast de schade die zou zijn veroorzaakt door Uitzending 1 en 2) voor haar zou hebben opgeleverd.

4.12. Ten aanzien van de door MFR gestelde verjaringstermijn van 20 jaar voor de verklaring voor recht heeft MFR onvoldoende toegelicht waarom voor de verklaring voor recht een andere verjaringstermijn zou gelden dan vijf jaar, volgend uit artikel 3:310 BW. MFR heeft alleen belang bij een verklaring voor recht indien zij beoogt een rechtsvordering in te stellen. In dit geval gaat het daarbij om een vordering tot vergoeding van schade en een rectificatie. Nu deze vorderingen stranden heeft MFR geen belang bij de verklaring voor recht en kan in het midden blijven of die is verjaard.