Gepubliceerd op maandag 20 juli 2026
IEF 23702
Rechtbank Gelderland ||
16 jul 2026,
Rechtbank Gelderland 16 jul 2026,, IEF 23702; ECLI:NL:RBGEL:2026:5730 (CBR tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/verboden-rond-cbr-examenritten-en-persoonsgegevens-van-medewerkers-uitvoerbaar-bij-lijfsdwang

Uitspraak ingezonden door Jordi Bierens, Pels Rijcken

Verboden rond CBR-examenritten en persoonsgegevens van medewerkers uitvoerbaar bij lijfsdwang

Rb. Gelderland 16 juli 2026, IEF 23702; IT 5363; ECLI:NL:RBGEL:2026:5730 (CBR tegen [gedaagde]). In dit kort geding wijst de voorzieningenrechter de vorderingen van het CBR tegen [gedaagde] grotendeels toe en verklaart hij verschillende geboden en verboden uitvoerbaar bij lijfsdwang. [Gedaagde] dient voorafgaand aan de mondelinge behandeling stukken in, maar verschijnt niet op de zitting. De voorzieningenrechter verleent daarom verstek en slaat geen acht op de ingediende stukken. Op grond van art. 139 Rv worden vorderingen bij verstek toegewezen, tenzij zij de voorzieningenrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomen. Omdat lijfsdwang een ingrijpende maatregel is, motiveert de voorzieningenrechter zijn beslissing uitgebreider dan bij verstek gebruikelijk is. Het CBR maakt voldoende aannemelijk dat [gedaagde] twee eerdere vonnissen uit 2023 niet naleeft, dat de daarin opgelegde dwangsommen niet inbaar zijn en dat hij door gemeenten opgelegde gebiedsverboden niet volledig naleeft. Ook blijft [gedaagde] structureel en veelvuldig examenauto’s volgen en houdt hij zich op bij of in de directe omgeving van CBR-locaties.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat lijfsdwang op grond van art. 587 Rv een uiterste middel is. Voor toepassing daarvan moet aannemelijk zijn dat een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst biedt en dat het belang van het CBR de maatregel rechtvaardigt. Aan deze voorwaarden is voldaan. Dat in een eerder vonnis is overwogen dat het steekproefsgewijs volgen van examenvoertuigen onder bepaalde omstandigheden niet onrechtmatig hoeft te zijn, geeft [gedaagde] geen vrijbrief om daarmee door te gaan. [Gedaagde] doet sinds 2021 onderzoek naar vermeende misstanden en beschikt inmiddels over vijf jaar aan informatie. De voorzieningenrechter ziet niet welke nieuwe informatie hij nog door het volgen van examenritten kan verkrijgen. Door het achtervolgen of verstoren van een rijexamen kan volgens de voorzieningenrechter evenmin worden aangetoond of het CBR zijn taken goed uitvoert. Het CBR, de examinatoren en de examenkandidaten ondervinden veel overlast van de gedragingen van [gedaagde]. De voorzieningenrechter verbiedt [gedaagde] zich op dagen waarop het CBR rijexamens afneemt binnen een straal van 2.000 meter rond CBR-locaties in Gelderland en Overijssel op te houden. Daarmee beperkt hij het gevorderde landelijke verbod tot deze twee provincies en verkleint hij de gevorderde straal van 3.000 naar 2.000 meter. [Gedaagde] mag praktijkexamens ook niet achtervolgen of anderszins verstoren en mag de inzittenden van examenvoertuigen niet filmen, fotograferen of op een andere wijze in beeld brengen. Van achtervolgen is in ieder geval sprake wanneer hij langer dan één minuut in dezelfde rijrichting als een examenvoertuig rijdt of tijdens één examenrit vaker dan eenmaal achter een examenvoertuig verschijnt. Daarnaast spreekt de voorzieningenrechter zekerheidshalve opnieuw de geboden en verboden uit het vonnis van 30 november 2023 uit. [Gedaagde] moet onder meer namen, foto’s, portretten en andere persoonsgegevens van de daarin aangewezen (oud-)medewerkers van het CBR van zijn website verwijderen. Hij mag deze gegevens en persoonsgegevens van andere voormalige en huidige examinatoren en examenmanagers zonder bestuurlijke functie niet zonder expliciete toestemming op websites of sociale media publiceren. Ook mag hij de aangewezen medewerkers niet opwachten, benaderen, de weg versperren, achtervolgen, fotograferen of filmen. De geboden en verboden zijn gedurende drie jaar na betekening van het vonnis uitvoerbaar bij lijfsdwang. De duur van de lijfsdwang bedraagt vijf dagen per afzonderlijke overtreding, met een totale maximumduur van één jaar. 

3.6. Het CBR heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat veroordelingen op straffe van een dwangsom geen effect hebben op [gedaagde] . Uit de overgelegde stukken blijkt dat [gedaagde] de veroordelingen uit het vonnissen van de rechtbank Overijssel ECLI:NL:RBOVE:2023:826) van 8 maart 2023 en deze rechtbank van 30 november 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:6486 niet nakomt, dat de dwangsommen niet inbaar zijn en dat [gedaagde] door gemeenten opgelegde gebiedsverboden niet (volledig) is nagekomen. Verder heeft het CBR voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] structureel en veelvuldig examenauto’s blijft volgen en zich op in de directe omgeving van CBR-locaties bevindt. Volgens het CBR stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat hij op grond van het vonnis van 8 maart 2023 van de Rechtbank Overijssel, ECLI:NL:RBOVE:2023:826, gerechtigd is om te spotten en of examenauto’s te volgen. In voornoemd vonnis is het volgende opgenomen: 

“Zo lang [gedaagde] het volgen en of spotten steekproefsgewijs en niet gedurende de gehele examenrit zou uitvoeren, is bijvoorbeeld van een constante achtervolging geen sprake en zou het CBR haar taken juist uit moeten kunnen voeren. Van onrechtmatig handelen is in dat geval geen sprake.”

3.7. Voornoemde uitspraak betekent echter niet dat [gedaagde] een vrijbrief heeft om te blijven spotten en steekproeven uit de voeren in het kader van journalistisch onderzoek zolang hij maar niet de volledige examenrit volgt. Het betrof een afweging van de belangen van het CBR en de belangen van [gedaagde] destijds en toen werd een algeheel verbod te zwaar geacht. Bovendien blijkt uit het vonnis dat [gedaagde] had verklaard dat hij zou zijn gestopt met zijn onderzoek. Het CBR heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] geen enkel gerechtvaardigd belang (meer) heeft om te spotten en examenvoertuigen te volgen. [gedaagde] voert zijn onderzoek sinds 2021 uit, dit betekent dat hij al vijf jaar aan informatie heeft. Niet wordt ingezien welke nieuwe informatie [gedaagde] nog krijgt door het spotten en volgen van examenritten dan de kennis die hij al heeft. Verder wordt het CBR gevolgd in haar standpunt dat doormiddel van achtervolging of verstoring van een rijexamen in het geheel niet kan worden aangetoond of het CBR diens taken wel of niet goed uitoefent en dat niet blijkt dat [gedaagde] een legitiem onderzoek uitvoert dat enig bewijs voor misstanden kan opleveren. [gedaagde] lijkt zijn onderzoek met name te vervolgen omdat er geen dan wel. onvoldoende gehoor wordt gegeven aan zijn meldingen van misstanden. Maar dat is geen gerechtvaardigd belang om te spotten en examenvoertuigen te achtervolgen, ook niet streeksproefgewijs. Het is zonder meer aannemelijk dat zowel de organisatie, de examinatoren en de examenkandidaten veel overlast ondervinden van de gedragingen van [gedaagde] .