IEF 19331

Vaststellen billijke vergoeding is exclusieve bevoegheid van Sena

HR 17 juli 2020, IEF 19331; ECLI:NL:HR:2020:1300 (AMP tegen Sena en RTL) Het gaat hier om de vraag of Sena aan een producent van fonogrammen (AMP) en een uitvoerend kunstenaar (Joosten) een billijke vergoeding als bedoeld in art. 7 WNR moet betalen voor het gebruik van het muzieknummer ‘Lolly’ in Tell Sell-homeshoppingprogramma’s in de periode 2007-2012. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 12 maart 2019, dat stelde dat de fonogrammenproducent en de uitvoerend kunstenaar zelf met de gebruiker van het muzieknummer een billijke vergoeding voor uitzending van het muzieknummer zijn overeengekomen [IEF 18397]. Art. 15 lid 1 Wnr moet aldus worden uitgelegd dat niet alleen de bevoegdheid tot inning en verdeling van de billijke vergoeding, maar ook de bevoegdheid tot vaststelling daarvan exclusief aan Sena toekomt. Er wordt terugverwezen naar het hof. Het incidenteel beroep van RTL wordt afgewezen zonder motivering. Alle overige klachten worden niet behandeld.

3. Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1.1 De eerste klacht van onderdeel 1.1 van het middel betoogt dat het hof (in rov. 5.2) blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over art. 7 Wnr en art. 15 Wnr, door te oordelen dat AMP c.s. zelf met Tel Sell een billijke vergoeding konden afspreken als bedoeld in art. 7 Wnr.

Het hof miskent hiermee de principiële keuze van de wetgever voor een systeem van verplicht collectief beheer, waardoor de rechthebbenden de bevoegdheid missen om op individuele basis een afspraak te maken over de billijke vergoeding die op grond van art. 7 Wnr verschuldigd is.

(...)

3.1.7 Uit de hiervoor geciteerde passages uit de parlementaire geschiedenis – waaraan nog kan worden toegevoegd hetgeen is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.37 – volgt dat de wetgever de onderhandelingen over de hoogte van de billijke vergoeding van art. 7 Wnr tot het takenpakket van Sena rekent. In de parlementaire geschiedenis is geen
aanknopingspunt te vinden voor de opvatting dat de wetgever de rechthebbende zelf de bevoegdheid heeft willen laten om met de betalingsplichtigen te onderhandelen over de tariefstelling. Anders dan het hof in rov. 5.2 heeft geoordeeld, is er geen grond om aan te nemen dat de wetgever in art. 15 lid 1, tweede volzin, Wnr bewust de woorden ‘met uitsluiting van anderen’ heeft weggelaten. Dit geldt temeer omdat de termen ‘vaststelling’ en ‘inning’ in de tweede volzin in één adem worden genoemd, terwijl ingevolge de eerste volzin buiten twijfel is dat de inning bij uitsluiting aan Sena is opgedragen.
In het licht van het voorgaande moet art. 15 lid 1 Wnr derhalve aldus worden uitgelegd dat niet alleen de bevoegdheid tot inning en verdeling van de billijke vergoeding, maar ook de bevoegdheid tot vaststelling daarvan exclusief aan Sena toekomt. De klacht slaagt dus.