IEF 20728

Twijfel over auteursrecht op wintersneaker

Vzr. Rb. Amsterdam 10 mei 2022, IEF 20728; ECLI:NL:RBAMS:2022:2501 (Inuikii tegen Est'Seven) Kort geding. Inuikii verkoopt al enige tijd bepaalde wintersneakers, waarna Est'Seven in een vergelijkbare stijl de Est'meuten Boot op de markt brengt. Bij de voorzieningenrechter staat vervolgens de vraag centraal of Inuikii daadwerkelijk het auteursrecht op de Inuikii schoen bezit. Est'Seven beweert namelijk dat niet Inuikii, maar de voormalige producent van de schoenen, het auteursrecht op de schoenen bezit. Omdat dit argument voldoende gemotiveerd wordt aangevoerd door Est'Seven, slaagt zij er in om voldoende twijfel te zaaien omtrent het bezit van het auteursrecht. Hierdoor weigert de voorzieningenrechter het verzoek van Inuikii om voorlopige voorzieningen te treffen.

4.6. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Om in een kort geding, bij wijze van voorlopige voorziening, een vordering die (mede) is gebaseerd op een inbreuk op auteursrechten te kunnen toewijzen, moet buiten redelijke twijfel staan dat de eisende partij de auteursrechthebbende is. Het ligt op de weg van de eisende partij om dit voldoende aannemelijk te maken. In dit geval lijkt Inuikii op het eerste gezicht als auteursrechthebbende te kunnen worden aangemerkt. Zij brengt immers de INUIKII winter sneaker, waarvan onweersproken is dat dit een succesvol ontwerp is, al geruime tijd op de markt zonder hierop door derden (bijvoorbeeld door [naam voormalige producent] ) te worden aangesproken. Na kennisname van het door Est'Seven gevoerde verweer, staat echter niet meer buiten redelijke twijfel dat Inuikii in dit kort geding als auteursrechthebbende kan worden aangemerkt. Est'Seven heeft voorshands terecht vraagtekens gezet bij de vraag of [naam 1] wel de ontwerper is. Dit blijkt weliswaar uit haar eigen verklaring, maar is onvoldoende ondersteund door aanvullend bewijs. Evenmin is duidelijk of en hoe haar (beweerde) auteursrecht is overgegaan op Zeitneu GmbH en vervolgens op Inuikii. Aktes dienaangaande zijn niet in het geding gebracht. Een beroep op de bewijsvermoedens van de artikelen 4 en 8 van de Auteurswet, ervan uitgaande dat de Nederlandse Auteurswet hier van toepassing is, kan Inuikii niet baten. Omdat Est'Seven gemotiveerd heeft aangevoerd dat [naam voormalige producent] de ontwerper is van de schoen, kan op voorhand niet worden uitgesloten dat Est'Seven er in een bodemprocedure in slaagt de bewijsvermoedens te weerleggen. Verder kan er – gezien hetgeen hierover ter zitting is verklaard door de advocaat van Est'Seven – niet zonder meer van worden uitgegaan dat de e-mail van [naam voormalige producent] uit 2010 vals is. Het onderzoek is immers gedaan op de recent doorgestuurde e-mail uit 2010 en niet op de originele e-mail die zich op de computer van [naam voormalige producent] bevindt. Ook gezien de verklaringen van de personen die volgens [naam voormalige producent] bij het ontwerpproces waren betrokken kan niet op voorhand worden uitgesloten dat hij ontwerper of medeontwerper was van de schoen. Al met al komt het erop neer dat Est'Seven erin is geslaagd voldoende twijfel te zaaien over de vraag wie de auteursrechthebbende is. Hierop stuit toewijzing van de vorderingen voor zover die zijn gebaseerd op het auteursrecht af. Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op het leerstuk van de slaafse nabootsing, treffen zij hetzelfde lot.