IEF 20066

Tweede conclusie P-G in de zaak WIKO tegen Philips

HR Conclusie P-G 2 juli 2021, IEF 20066; ECLI:NL:PHR:2021:669 (WIKO tegen Philips) Deze zaak is onderdeel van een aantal in het geding zijnde SEP octrooien. Philips is houder van een het octrooi EP525, dat de efficiëntie van de transmissie van datapakketten beoogt te verbeteren. Een SEP moet onder FRAND-voorwaarden in licentie worden gegeven. WIKO heeft een Frand-verweer gevoerd, omdat Philips EP 525 heeft aangemeld als standaard-essentieel voor de UMTS-standaard en zij de daaraan verbonden contractuele en mededingingsrechtelijke verplichtingen niet is nagekomen. WIKO heeft zich volgens het hof niet als een willing licensee getoond en daarnaast is niet voldaan aan de stel- en bewijsplicht die op WIKO rustte. De P-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. Zie ook [IEF 20065]. 

4.55 Deze klachten lijken mij niet op te kunnen gaan. Het hof heeft niet geoordeeld dat Wiko in dit stadium had moeten aantonen dat het licentieaanbod van Philips discriminatoir (“niet NonDiscriminatory”) is. Naar het oordeel van het hof in rov. 4.192-4.194 heeft Wiko geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zelfs maar een vermoeden van discriminatie kan worden afgeleid. Dat het hof een toelichting van Wiko op haar stelling verlangt, acht ik in de gegeven omstandigheden niet onbegrijpelijk. Wiko heeft licentie-overeenkomsten voor UMTS (3G)- en LTE (4G)-portefeuilles gesloten met Qualcomm, Huawei en Nokia. Het is Wiko dus bekend welke voorwaarden die partijen hanteren. Aan de hand daarvan had Wiko kunnen substantiëren waarom zij meent dat het aanbod van Philips niet voldoet aan de FRANDvoorwaarden. In dat licht is niet onbegrijpelijk dat Wiko volgens het hof (een vermoeden van) de door haar gestelde niet-FRAND-heid van Philips’ aanbod kon onderbouwen door (bijvoorbeeld) inzicht te verschaffen in de met Qualcomm, Huawei en Nokia afgesproken vergoedingen en bedingen (rov. 4.196).