IEF 18403

Telegraaf Media Group heeft niet onrechtmatig gehandeld jegens Stichting Loterijverlies

Hof Amsterdam 9 april 2019, IEF 18403; ECLI:NL:GHAMS:2019:1200 (X tegen TMG) Mediarecht. X is de oprichter van Stichting Loterijverlies. TMG is de holdingmaatschappij van het TMG concern, waarvan o.a. de uitgever van De Telegraaf onderdeel uitmaakt. De Telegraaf heeft een aantal uitlatingen over X gedaan. X vordert dat de Telegraaf deze uitlatingen rectificeert, de uitlatingen verwijdert van het internet, en een verbod deze nog te openbaren. De rechtbank oordeelt dat de vorderingen dienen te worden afgewezen. Ook nu is er geen aanleiding om de vorderingen toe te wijzen, nu geen van de grieven daartoe aanleiding geeft.

3.3. De rechtbank heeft [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tegen TMG en de vorderingen voor het overige afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Hetgeen de rechtbank daartoe heeft overwogen, kan als volgt worden samengevat. [appellant] heeft geen verweer gevoerd tegen het verweer van TMG dat zij niet de uitgeefster is van De Telegraaf en geen enkele zeggenschap heeft gehad over de door [appellant] beweerde onrechtmatige uitingen noch over de handelwijze van [geïntimeerde sub 2] en/of [geïntimeerde sub 1] . Gesteld noch gebleken is waarom TMG aansprakelijk zou zijn voor de door [appellant] beweerde onrechtmatige uitingen. Het antwoord op de vraag welk recht, de uitingsvrijheid of de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, in het concrete geval zwaarder weegt, wordt gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. Daarbij komt aan de positie van de pers bijzondere betekenis toe, gelet op enerzijds de taak van de pers informatie en ideeën van publiek belang te verspreiden en haar vitale rol van publieke waakhond te spelen, en anderzijds op het recht van het publiek informatie en ideeën te ontvangen. Het belang van [appellant] is dat hij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan voor hem schadelijke publiciteit en/of aan beschuldigingen die geen of onvoldoende steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal. Ook wegen de aard van de gepubliceerde beschuldigingen en de ernst van de te verwachten gevolgen mee. Na bespreking van de diverse door [appellant] aan de orde gestelde uitingen, heeft de rechtbank geconcludeerd dat de afweging van de wederzijdse belangen in het voordeel van de door artikel 10 EVRM beschermde uitingsvrijheid van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] uitvalt en dat van onrechtmatig handelen door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] tegen [appellant] , ook gelet op het belang van de bescherming van [appellant] persoonlijke levenssfeer, geen sprake is.

3.30. De slotsom luidt dat geen van de grieven tot vernietiging van het vonnis kan leiden. Het vonnis zal daarom worden bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.