IEF 20005

Tegenstrijdig belang gedurende overdracht muziekwerken is onrechtmatig

Hof Arnhem-Leeuwarden 18 mei 2021, IEF 20005; ECLI:NL:GHARL:2021:4709 (Curatoren B.V.B.A. tegen geïntimeerde 1 B.V. en Telstar) Deze zaak is na verwijzing van de Hoge Raad bij het hof Arnhem-Leeuwarden terechtgekomen. Telstar B.V. was eigenaar van de rechten van een groot aantal muziekwerken en opnames. B.V.B.A. is in 2007 failliet verklaard en de curatoren vorderen een overdracht om niet van alle rechten van deze werken, omdat de dochter van de maker - destijds bestuurder van de B.V.B.A. en Telstar B.V. - onrechtmatig zou hebben gehandeld door de werken in een aparte B.V. onder te brengen. Het hof oordeelt dat dat inderdaad het geval is geweest, nu de dochter destijds bestuur was van zowel Telstar B.V. als de B.V.B.A. Het hof veroordeelt de B.V.B.A. om die reden dan ook tot overdracht van de werken aan geïntimeerde 1 B.V. 

4.9 Al deze omstandigheden tezamen brengen het hof tot het oordeel dat sprake is van een overeenkomst in die zin dat de juridische eigendom van de Oude Catalogus weliswaar was ondergebracht bij een aparte vennootschap, maar dat overeengekomen was dat de opbrengsten ten goede zouden komen aan de [geïntimeerde1] -groep. In het midden kan blijven of sprake was van een zuivere overeenkomst tot lastgeving, of een overeenkomst bedoeld in art. 7:424 BW nu beide wegen tot een vergelijkbaar resultaat leiden. Dit heeft tot gevolg dat [geïntimeerden] c.s. de curatoren terecht aanspreken op nakoming van deze overeenkomst en dat de vordering tot afgifte door de rechtbank terecht is toegewezen.

Onrechtmatige daad

4.10 Bij deze stand van zaken is strikt genomen geen oordeel meer nodig over de vraag of sprake is van onrechtmatig handelen van [de dochter] . Partijen hebben echter mogelijk belang bij duidelijkheid ook over deze vraag, omdat dit wellicht kan bijdragen deze al ruim 17 jaar durende procedure op korte termijn te beëindigen. Naast de vaststelling dat een overeenkomst bestond als hiervoor in 4.9 vastgesteld komt het hof tot het oordeel dat [de dochter] ook onrechtmatig heeft gehandeld. Duidelijk was immers dat zij zich alleen vanwege haar functie als bestuurder van de [geïntimeerde1] -vennootschappen een onderhandelingspositie heeft kunnen verwerven bij het sluiten van de overeenkomsten met Arcade en alleen op die manier het bij Telstar berustende recht van terugkoop in stelling kon brengen. Zij had bij het sluiten van de drie overeenkomsten een tegenstrijdig belang, doordat zij zowel optrad als (indirect) bestuurder van Telstar als wel als bestuurder van de door haar zelf opgerichte vennootschap [B] B.V. Zij heeft daardoor in strijd met de wet gehandeld en heeft daardoor een constructie kunnen opzetten die [B] BV voordeel bracht, maar de door haar bestuurde [geïntimeerde1] -vennootschappen kosten opleverden. Doordat [de dochter] deze situatie lange tijd heeft laten voortduren heeft zij die vennootschappen de kans ontnomen de Oude Catalogus met meer succes te kunnen exploiteren en heeft zij bewust baten buiten het zicht van die vennootschappen gehouden. Ook heeft zij, zoals blijkt uit de hierboven weergegeven omstandigheden de andere betrokkenen binnen de [geïntimeerde1] -groep, en dan met name haar vader, een verkeerde voorstelling van zaken gegeven, die hij van een bestuurder van de [geïntimeerde1] niet hoefde te verwachten. Dit is ten opzichte van [geïntimeerden] c.s. onrechtmatig. De onrechtmatige daad van [de dochter] heeft in het maatschappelijk verkeer te gelden als een onrechtmatige daad van [B] B.V., thans de B.V.B.A.. Zij is daarom gehouden de door [geïntimeerden] c.s. geleden schade te vergoeden. Dit brengt mee dat, op grond van 6:103 BW, en zoals gevorderd door [geïntimeerden] c.s., de Oude Catalogus moet worden overgedragen aan [geïntimeerde1] B.V. Dit houdt ook in dat de ten onrechte door J [B] B.V. geïnde royalty’s aan [geïntimeerden] c.s. moeten worden afgedragen.