18 nov 2025,
Taxi Utrecht Centraal en Taxi Utrecht Centrale maken inbreuk op oudere handelsnamen van UTC
Hof Arnhem-Leeuwarden 18 november 2025, IEF 23710; ECLI:NL:GHARL:2025:7443 ([de taxichaffeur] tegen UTC). Utrechtse Taxi Centrale B.V. (UTC) exploiteert sinds 1993 een taxibedrijf in Utrecht en omgeving onder de handelsnamen “Utrechtse Taxi Centrale”, “Utrechtse Taxicentrale”, “UTC” en “U.T.C.”. Een andere taxiondernemer exploiteert sinds 2018 in dezelfde regio een taxibedrijf onder de namen “Taxi Utrecht Centraal” en “Taxi Utrecht Centrale”. UTC stelde daarnaast dat hij de handelsnaam “TUC” voerde. De rechtbank verbood het gebruik van alle drie de namen. Het hof verwerpt de processuele bezwaren van de taxiondernemer. Dat hij in eerste aanleg geen inhoudelijk verweer had gevoerd, leidt niet tot terugwijzing, omdat zijn verweren binnen de grenzen van de grieven in hoger beroep alsnog worden beoordeeld en een partij in beginsel geen aanspraak heeft op behandeling in twee feitelijke instanties. Ook de eerder tussen partijen getroffen schikking staat niet aan deze procedure in de weg. In de schikking was uitdrukkelijk bepaald dat de finale kwijting geen betrekking had op de eerder aangekondigde eiswijziging over “Taxi Utrecht Centraal”, “Taxi Utrecht Centrale” en “TUC”. Verder valt het oordeel van de rechtbank dat de eerste twee handelsnamen misleidend zijn buiten de door de grieven ontsloten rechtsstrijd, omdat de taxiondernemer alleen het verwarringsgevaar en niet het misleidende karakter had bestreden. Die zelfstandig dragende grond voor het verbod staat in hoger beroep daarom vast.
Ten overvloede oordeelt het hof dat het gebruik van “Taxi Utrecht Centraal” en “Taxi Utrecht Centrale” ook in strijd is met artikel 5 Handelsnaamwet, omdat daardoor bij het publiek verwarring met de oudere handelsnamen “Utrechtse Taxi Centrale” en “Utrechtse Taxicentrale” te duchten is. Hoewel deze namen grotendeels beschrijvend zijn, hebben zij door inburgering enige mate van onderscheidend vermogen verkregen. UTC gebruikt de namen sinds 1993, heeft volgens haar onvoldoende weersproken stellingen een marktaandeel van ongeveer 30% en heeft circa 80% van haar vloot van ongeveer 180 taxi’s van haar logo voorzien. Partijen bieden dezelfde diensten aan in dezelfde regio en hun namen verschillen slechts door een andere woordvolgorde, “Utrecht” in plaats van “Utrechtse” en, bij één naam, “Centraal” in plaats van “Centrale”. Deze verschillen zijn visueel, auditief en begripsmatig van ondergeschikte betekenis. Ook de verschillende logo’s nemen het verwarringsgevaar niet weg. Tussen “TUC” enerzijds en “UTC” en “U.T.C.” anderzijds bestaat volgens het hof daarentegen geen verwarringsgevaar. Bij een afkorting van drie letters vormt de gewijzigde volgorde een relatief groot verschil, terwijl “TUC” bovendien als “tuk” kan worden uitgesproken. Het verbod op “TUC” wordt daarom geschrapt. Het pas tijdens de mondelinge behandeling aangevoerde betoog dat de taxiondernemer TUC nooit als handelsnaam had gebruikt, maar dat deze naam alleen in het handelsregister stond, wordt wegens de tweeconclusieregel niet onderzocht. Het hof bekrachtigt het vonnis voor het overige en veroordeelt de taxiondernemer, die grotendeels in het ongelijk is gesteld, tot betaling van € 798 aan griffierecht en € 2.428 aan salaris advocaat volgens het liquidatietarief.
4.8.
Bij de beoordeling van het verwarringsgevaar komt het aan op een globale beoordeling van de volledige handelsnamen wat betreft hun visuele, auditieve en begripsmatige kenmerken, in relatie tot de aard van de ondernemingen en alle overige omstandigheden van het geval. Tot de visuele kenmerken behoren ook gebruikte logo’s en eventuele andere visuele vormgeving. Voorts dient de vraag of verwarring te duchten valt, te worden beoordeeld vanuit het perspectief van het normaal oplettende publiek en zijn eventuele (specialistische) kennis van het desbetreffende marktsegment. Een geheel beschrijvende handelsnaam heeft in beginsel geen onderscheidend vermogen, tenzij het publiek een zodanige naam door de intensiteit van het gebruik ervan is gaan associëren met de onderneming die haar voert (‘inburgering’). Voorts is van belang dat, nu het gebruik van beschrijvende aanduidingen is toegenomen, aangenomen mag worden dat het publiek eraan gewend is dat ondernemingen beschrijvende handelsnamen gebruiken, en minder snel in verwarring zal raken als meer (rechts)personen onder dezelfde, of slechts in geringe mate afwijkende, beschrijvende handelsnamen aan het economische verkeer deelnemen. Mocht verwarring dreigen, dan kan een kleine variatie in de naam dat gevaar al wegnemen. Omgekeerd kan worden aangenomen dat, naarmate een handelsnaam meer onderscheidend vermogen heeft, eerder verwarring te duchten valt. Het is immers aannemelijk dat het publiek in dat geval, bij kennisneming van eenzelfde of een slechts in geringe mate afwijkende naam, die naam eerder in verband zal brengen met de onderneming die de oudere handelsnaam voert (HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:269, Dairy Partners).
4.9.
Tussen partijen is niet geschil dat de handelsnamen van UTC ouder zijn dan die van [de taxichaffeur] en dat het gebruik door UTC van haar handelsnamen rechtmatig is. Verder is van belang dat partijen precies dezelfde diensten aanbieden, te weten taxivervoer, in dezelfde regio, te weten Utrecht. De handelsnamen “Utrechtse Taxi Centrale” en “Utrechtse Taxicentrale” zijn beschrijvend. Het woord “Taxi” beschrijft de aard van de onderneming en het woord “Utrechtse” de geografische locatie. Het woord “Centrale” is ook in zekere mate beschrijvend. Het publiek zal bij het begrip denken aan een fysieke centrale locatie waar de verzoeken voor ritten binnenkomen en vervolgens worden uitgezet onder de taxibestuurders. UTC heeft gesteld dat deze handelsnamen zijn ingeburgerd. Zij gebruikt deze handelsnamen sinds 1993, zij heeft een marktaandeel van 30% en 80% van haar vloot van circa 180 taxiauto’s is bestickerd met het logo van de onderneming. [de taxichaffeur] heeft deze onderbouwing van inburgering van de twee handelsnamen niet voldoende betwist, zodat het hof daarvan uitgaat.
4.10.
Door deze inburgering hebben deze twee beschrijvende handelsnamen van UTC enige mate van onderscheidend vermogen verworven, zodat verwarringsgevaar aan de orde kan zijn omdat het relevante publiek de namen kent en deze in verband brengt met UTC. Naar het oordeel van het hof is, alle omstandigheden in aanmerking nemend, van een dergelijk verwarringsgevaar met de twee beschrijvende handelsnamen van [de taxichaffeur] ook daadwerkelijk sprake. Er is immers een zeer sterke gelijkenis tussen beide paren van handelsnamen, nu zij maar op drie punten van ondergeschikte betekenis verschillen. Ten opzichte van de handelsnamen van UTC heeft [de taxichaffeur] slechts de woordvolgorde van “Utrechtse” en “Taxi” omgedraaid, van het bijvoeglijk naamwoord “Utrechtse” het zelfstandig naamwoord “Utrecht” gemaakt en in één van de handelsnamen het woord “Centrale” veranderd in het woord “Centraal”. Daarmee zijn verschillen ontstaan die in visueel, auditief en begripsmatig perspectief van ondergeschikt belang zijn. Dat er enig begripsmatig verschil bestaat tussen “Centrale” en “Centraal”, in die zin dat “Centraal” in deze context mogelijk mede verwijst naar station Utrecht Centraal, maakt niet dat deze handelsnaam, gezien zijn sterke visuele en auditieve gelijkenis met “Utrechtse Taxi Centrale” voldoende afstand houdt tot deze handelsnaam. Deze verschillen zullen het relevante publiek – personen die op zoek zijn naar een taxi vanuit of naar (de regio) Utrecht – niet zo snel opvallen. Van dit publiek zal immers niet een bijzonder hoog aandachtsniveau worden verwacht. Het hof beslist daarom dat gevaar voor verwarring te duchten is door het gebruik van de handelsnamen “Taxi Utrecht Centraal” en “Taxi Utrecht Centrale”. Het verschil in de door UTC en [de taxichaffeur] gebruikte logo’s neemt dit gevaar niet weg. Dat brengt mee dat de rechtbank de vorderingen van UTC ook in dat opzicht terecht heeft toegewezen.
4.11.
Het hof is van oordeel dat er geen verwarringsgevaar bestaat tussen enerzijds de handelsnamen “UTC” en “U.T.C.” van UTC en anderzijds “TUC” van [de taxichaffeur] . Het gaat in beide gevallen om een combinatie van drie dezelfde, in kapitalen geschreven hoofdletters, maar in een afwijkende volgorde. Omdat het een afkorting van slechts drie letters betreft is een wisseling van de volgorde een relatief grote wijziging van deze afkorting. Die wisseling voorkomt dat er gevaar voor verwarring is te duchten. Daarbij gaat het hof er ook vanuit dat de ruimte voor ondernemingen om ook een afkorting te gebruiken ter aanduiding van hun onderneming, niet te zeer mag worden begrensd. De afwijkende volgorde leidt ten slotte ook tot een auditief verschil, omdat “TUC” ook kan worden uitgesproken, niet als drie letters, maar als het woord “tuk”. Dat dit geen theoretisch argument is werd bevestigd tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, toen de afkorting door een van de namens UTC aanwezigen werd uitgesproken als “tuk”. Het voorgaande betekent dat op dit punt het vonnis van de rechtbank niet in stand kan blijven. Het verbod op het gebruik van de handelsnaam “TUC” zal daarom alsnog worden afgewezen.