IEF 19876

Sonos gelijkgesteld in incident over relatieve bevoegdheid

Rechtbank Den Haag 17 maart 2021, IEF 19876, IT 3467, ECLI:NL:RBDHA:2021:2929 (Google tegen Sonos) Incidenteel vonnis. Google’s vorderingen in de hoofdzaak zien op een verbod inbreuk te maken op de buitenlandse delen van het octrooi in kwestie in het Verenigd Koninkrijk, Italië en Finland dan wel onrechtmatig te handelen door die inbreuk in genoemde landen te faciliteren. Sonos vordert in dit incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart omdat Google zich niet beroept op een Nederlands deel van het octrooi. De rechtbank gaat hierin mee en stelt dat op basis van artikel 80 lid 2 sub a ROW niet zij, maar de rechtbank Midden-Nederland over de relatieve bevoegdheid beschikt om van het geschil kennis te nemen.

2.4. De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden toegewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering kunnen dragen. De hiervoor in 2.1 door Sonos gegeven uitleg van de bevoegdheidsbepaling van artikel 80 lid 2 sub a ROW is juist. Zoals deze rechtbank en Haagse rechters als rechter-plaatsvervanger van andere rechtbanken al eerder hebben beslist is voor een ruime (teleologische) uitleg van artikel 80 ROW, zoals Google voorstaat en hoe wenselijk of efficiënt wellicht, geen plaats, gelet op het uitzonderingskarakter van artikel 80 ROW ten opzichte van de normale bevoegdheidsregeling in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), hetgeen nog eens wordt bevestigd door het bepaalde in artikel 83 ROW. Derhalve vinden de gewone regels als neergelegd in de artikelen 99-110 Rv hier toepassing. Dit betekent dat de rechtbank Midden-Nederland de relatief bevoegde rechter is.

2.7. Zoals Google en Sonos in hun processtukken al hebben aangevoerd, is denkbaar dat de zaak voor de rechtbank Midden-Nederland zal worden behandeld door een rechter of rechters van de Rechtbank Den Haag als rechter(s)-plaatsvervanger van de rechtbank Midden-Nederland. Mogelijk dat in verband met procesefficiëntie en om praktische redenen door de Rechtbank Midden-Nederland na verwijzing beslist zal worden dat de datum die in de VRO-beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 22 september 2020 is bepaald voor de mondelinge behandeling, ook nadien leidend zal blijven. Om die reden wordt partijen in overweging gegeven deze datum data gereserveerd te houden.