IEF 19310

Schadevergoeding voor schade door executie kort geding

Rechtbank Rotterdam 10 juni 2020, IEF 19310; ECLI:NL:RBROT:2020:5569 (Coffema tegen Deac) Merkenrecht. Deac handelt in koffie met het Benelux-woordmerk CAFEMA. Coffema verhandelt in Nederland koffiemachines voor de horeca en onderhouds- en reinigingsmiddelen voor die machines. In kort geding is Coffema veroordeeld om het gebruik van de naam Coffema te staken en gestaakt te houden, maar dit hield in de bodemprocedure geen stand. Omdat er geen sprake was van soortgelijke waren, moest het verzoek tot staking van het gebruik van de naam Coffema afgewezen worden. In deze zaak vordert Coffema schadevergoeding voor de schade die zij heeft geleden door de uitvoering van het vonnis in kort geding, omdat achteraf in de bodemprocedure bleek dat Deac onrechtmatig handelde door van Coffema te vergen het gebruik van de naam Coffema te staken. De rechtbank wijst een deel van de gevorderde kosten af, omdat sommige kostenposten onvoldoende zijn onderbouwd en omdat Coffema niet aan haar schadebeperkingsplicht heeft voldaan.

4.7.3. De kosten onder sub (c) in deze categorie, alle betrekking hebbende op kosten personeel in totaal (met uitzondering van werkzaamheden ziend op het omruilen van waterfilters) ten bedrage van bijna € 12.000, -, heeft Coffema nader gespecificeerd op een in het geding gebracht spreadsheet. Daarop is aangegeven hoeveel uur welke werknemer welke werkzaamheden heeft uitgevoerd. Deac heeft aangevoerd dat deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd, nu onderliggende facturen aan derden en/of verklaringen ter zake ontbreken. Voorts heeft Deac betoogd dat het aantal gedeclareerde uren, in het bijzonder voor het vergaderen, buiten elke proportie is. De rechtbank volgt Deac hierin in zoverre dat de opgevoerde kosten voor juridisch advies en vergaderen ter zake (c45, c46, c47 en c49), bij gebreke aan facturen en een nadere toelichting, als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen. Derhalve strekt op deze posten een bedrag van € 5.635, - in mindering.

4.9.3. De rechtbank volgt Deac in haar verweer dat Coffema niet aan haar schadebeperkingsplicht heeft voldaan in die zin dat Coffema oude voorraad had kunnen bewaren om daar weer op te kunnen terugvallen na een bodemvonnis dat, naar verwachting van Coffema zelf, gunstig voor haar zou uitvallen. Dat dit mogelijk zou zijn geweest, althans voor een groot aantal producten, heeft Coffema niet gemotiveerd weersproken.

4.12.3. Coffema heeft ter zitting de waterfilters met daarop filterkoppen voorzien van stickers met daarop Coffema getoond. Anders dan Coffema stelt, acht de rechtbank het ten aanzien van de getoonde filterkoppen wel mogelijk om over het merk “Coffema” een sticker met het merk “Coffenco” te plakken (en andersom). Dat de filterkop een unieke sleutel is, zoals verklaard door Coffema ter zitting, doet daar niet aan af. Dat stickers eroverheen plakken duurder zou zijn dan de filterkoppen vervangen, zoals Coffema heeft gesteld is - zonder nadere onderbouwing en/of toelichting ter zake, die ontbreekt - niet aannemelijk. De verklaring van Coffema ter zitting dat de oude filterkoppen niet meer waren te gebruiken, omdat Coffema “het originele spul bij haar klanten wil plaatsen” heeft de rechtbank evenmin overtuigd, mede gelet op het door Coffema niet, althans onvoldoende weersproken verweer van Deac dat waterfilters doorgaans in kastjes worden geplaatst waar het in ieder geval minder duidelijk is dat er een sticker over heen is geplakt. Nu Coffema bovendien onweersproken heeft gelaten dat ook filterkoppen van het merk Coffema zijn vervangen door filterkoppen zonder merk (en terug wijzigen dan niet aan de orde is), oordeelt de rechtbank dat Coffema niet heeft voldaan aan haar schadebeperkingsplicht op dit punt. Gelet op een en ander acht de rechtbank een vermindering van het door Deac te vergoeden bedrag met nog eens 50% redelijk.